|
|
De Zeeprik
de zeeprik
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Zeeprik
|
|
Wetenschappelijk :
|
Petromyzon marinus
|
|
Engels :
|
Sea Lamprey
|
|
Duits :
|
Meeresneunauge
|
|
Frans :
|
Lamproie Marine
|
Uiterlijke kenmerken
Lengte van geslachtsrijpe dieren meestal 70-90 cm, soms 1,2 m. Kleur verschillend, afhankelijk van de herkomst, meestal lichtgrijs of groenachtig met krachtige, donkere marmertekening of vlekken op de rugzijde. De duidelijk tweedelige rugvin vormt met de staartvin een doorlopende vinzoom, gepaarde vinnen (borsten buikvinnen) ontbreken volledig. Kaken ontbreken ook, de mond is omgeven door een zuigschijf, breder dan het lichaam zelf, met fijne franje langs de rand en geheel bezet met scherpe hoorntanden, vlak boven de mondopening zit een grote, tweespitsige tand, eronder een rij van ca. 8 tanden. Voor aan de kop zit een ongepaarde neusopening. Opzij, achter de ogen, zijn 7 ronde kieuwopeningen zichtbaar.
|
de zeeprik zuigt zich vast aan grotere vissen en leeft als een parasiet van hun lichaam
|
Leefwijze en leefomgeving
Prikken zijn archaïsche gewervelden, die al in het Carboon (ca. 350 miljoen jaar geleden) een eigen ontwikkeling waren begonnen, los van de kraakbeenen beenvissen. De familie telt ca. 40 soorten, samen met de uitsluitend in zee levende Slijmprikken zijn ze de enige nog levende nazaten van de 'Kaaklozen' (Agnatha), een groep visachtige gewervelden die in het Paleozoicum de zeeën bevolkten. De zuigschijf dient voor de voedselopname, de meeste prikken zijn roofvissen, die zich vastzuigen aan andere vissen en (afhankelijk van de soort) hun lichaamssappen opzuigen of huiden spierweefsel afraspelen. Omdat in elk geval grotere prooidieren weliswaar gewond maar niet gedood worden, kan men deze voedingsmethode als een vorm van parasitisme opvatten.
Niet alleen de lichaamsbouw is archaïsch, maar ook de ontwikkelingsgang. Uit de eieren ontwikkelen zich eerst de zogeheten ammocoetes-larven, deze bezitten geen zuigmond, en hun eenvoudig gebouwde ogen zijn nog onder de huid verborgen. Deze larven leven verscheidene jaren in de bodem van zoete wateren en voeden zich daar met zeer kleine organismen die ze met hun kieuwen uit het water filteren. Bij veel soorten duurt het larvenstadium langer dan het leven als volwassen prik. Ongeveer de helft van alle soorten is anadroom. Dan, na een metamorfose die verscheidene weken in beslag neemt, trekken de dieren naar zee, waar ze parasitair gaan leven en tot geslachtsrijpe dieren opgroeien, daarna trekken ze weer naar zoet water om zich voort te planten. Tijdens die trektocht nemen ze geen voedsel meer tot zich, ze sterven nadat de eieren zijn afgezet.
De Zeeprik behoort tot de anadrome soorten. De dieren trekken in het late voorjaar de rivieren op, waar ze in kleine groepen boven grindbodems paaien, een vrouwtje kan tot 200000 eieren produceren. Men vindt de dieren in de Rijn tot Basel, op 850 km van de zee. De ammocoeteslarven leven 6-8 jaar in de bodem, de metamorfose vindt plaats als ze ca. 15 cm lang zijn, en dan begint de trek naar zee. Ze vallen vooral grote vissen aan (onder meer Kabeljauw, Makreel, Zalm en Haring), en zuigen hun lichaamssappen op. Zuigende Zeeprikken zijn op honderden meters diepte waargenomen. Na nog eens 3-4 jaar worden de dieren geslachtsrijp, tijdens de trek naar de rivieren wordt het darmkanaal gereduceerd. In grote delen van Europa is de Zeeprik zeldzaam geworden door de regulering van rivieren en door watervervuiling.
|
|
|
|
|