|
|
De Spiering
de spiering
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Spiering
|
|
Wetenschappelijk :
|
Osmerus eperlanus
|
|
Engels :
|
Smelt
|
|
Duits :
|
Stint
|
|
Frans :
|
Éperlan
|
Uiterlijke kenmerken
Kleine, langgestrekte vis, meestal 10-20 cm lang, maximaal 30 cm. Lichaam bijna doorzichtig, weinig zijdelings samengedrukt. Kop spits, met diepe, meestal tot achter het oog reikende mondspleet, onderkaak iets vooruitstekend, met lange tanden. Schubben klein, zijlijn onvolledig, niet verder dan de borstvinnen doorlopend. Vetvin aanwezig, staartvin uitgerand. Kleur dof zilvergrijs, in de paartijd met een glanzende band over de flanken, het mannetje heeft dan paringsuitslag.
61-69 schubben overlangs (op de langste rij), zijlijn alleen op de voorste 6-11 schubben. Vinstralen: rugvin 9-12, aarsvin 13-17, borstvin 10-11, buikvin 9.
|
binnenspiering is de naam voor spiering die hun hele leven in zoetwater doorbrengen
|
Leefwijze en leefomgeving
Spieringen vindt men in de kustgebieden van zowel het noordelijk als het zuidelijk halfrond. Sommige auteurs onderscheiden diverse soorten, die door anderen echter als ondersoorten van 0. eperlanus worden opgevat. In Europa leven ze vooral in brak water nabij riviermonden, 's winters verzamelen ze zich daar in grote scholen, die vanaf maart naar het zoetwatergetijdengebied in de benedenlopen der rivieren trekken, om te paaien. De paaiplaatsen bevinden zich dicht bij de oever, boven een stenige of zandige bodem, een vrouwtje kan tot 40000 eitjes produceren. Na de ei-afzetting sterven de meeste ouderdieren, maar een klein deel plant zich in latere jaren nogmaals voort. De eieren komen na 2-5 weken uit. De jongen brengen de eerste zomer in zoet water door, het gevlekte jeugdkleed doet aan Salmoniden denken. Als ze ca. 5 cm lang zijn, beginnen ze naar brak water te trekken. Spieringen eten in hoofdzaak planktonkreeftjes, maar ook kleine vissen, waaronder een aanzienlijk percentage van de eigen soort (kannibalisme). De dieren worden al na 2 jaar geslachtsrijp.
Behalve deze zeebewonende 'trekspiering' bestaan ook vormen ('binnenspiering') die permament in zoetwater leven, vooral in grote meren in het Oostzeegebied. Ze worden niet zo groot (tot ca. 10 cm) en schijnen al na een jaar geslachtsrijp te worden. Binnenspieringen paaien vermoedelijk maar eens in hun leven, daartoe worden dan de inmondende rivieren of ook wel ondiepe plaatsen in het meer zelf opgezocht. Beide vormen vertonen sterke fluctuaties in de bestanden, van jaar tot jaar. Dat wordt verklaard door verschillen in het aanbod van planktonvoedsel, maar het kan ook wel iets te maken hebben met de kannibalistische leefwijze, immers, een sterke jaargang kan op die manier een forse slachting aanrichten onder de jongen van de beide daarop volgende generaties.
|
Economische betekenis
Spiering is met Palingaal, baars en snoekbaars een vis waarop gevist wordt in het IJsselmeer. Er wordt met name gevist in de paaitijd. Dit heeft voor de spiering geen grote gevolgen, echter voor de roofvissen en vogels wordt hierdoor veel van de beschikbare vis weggevangen.
Spiering heeft geen grote waarde als consumptievis, niet iedereen houdt van de sterke, komkommerachtige geur. Vaak wordt de spiering als aas aanbevolen bij het vissen op snoek.
|
|
|
|
|