|
|
De Snoek
de snoek
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Snoek
|
|
Wetenschappelijk :
|
Esox lucius
|
|
Engels :
|
Pike
|
|
Duits :
|
Hecht
|
|
Frans :
|
Brochet
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam langgestrekt, gespierd, op doorsnede bijna rond, aan de buikzijde iets afgeplat. Mannetjes tot 1 m lang, vrouwtjes tot 1,5 m. Kop zeer lang, snuit snavelvormig verlengd, met vrij schaarse maar grote tanden in de (iets vooruitstekende) onderkaak, monddak met talrijke, naar achteren gebogen tanden. Schubben klein, de zijlijn loopt door tot op de staartsteel, maar is op enkele plaatsen onderbroken. Vinnen alle tamelijk lang, rugvin ver naar achteren geplaatst, pas vlak voor de aarsvin beginnend. Kleur donkerbruin tot diepgroen met onregelmatige, deels tot vlekkenrijen opgeloste, geelachtige dwarsbanden, buik wit of geelachtig, kop met onscherpe overlangse banden getekend. Borst- en buikvinnen meestal roodachtig en aan de voorrand witachtig, rug-, staart- en aarsvin met onregelematige, donkere vlekken. Jonge dieren meer contrastrijk getekend, vaak met lichtgroene grondkleur.
105-130 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 19-23, aarsvin 16-21, borstvin 14, buikvin 19.
|
de blankvoorn is een favoriete prooi van de snoek
|
Leefwijze en leefomgeving
Er zijn slechts 6 soorten snoeken, die allemaal sterk op elkaar lijken. De bij ons inheemse Snoek, E. lucius, heeft van dat zestal de grootste verspreiding: het areaal omvat grote delen van Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika. Een sterk overeenkomstige soort (E. reichertï) leeft in Oost-Siberië, de vier andere komen in Noord-Amerika voor.
Snoeken bewonen stilstaande of langzaam stromende wateren met dichte plantengroei langs de oevers. Ze hebben een voorkeur voor heldere wateren met grindbodem, maar ook 's zomers iets troebele meren zijn geschikte snoekwateren. Het uitgestrekte areaal laat al vermoeden dat de soort zich aan zeer uiteenlopende omstandigheden kan aanpassen. In gebergten komen Snoeken tot 1500 m hoogte voor, maar in de kuststreken gaan ze zelfs tot in het brakke gebied (vooral in de Oostzee). Snoeken loeren bewegingloos op prooi, ze staan daarbij tussen de waterplanten nabij de oever, het liefst aan de rand van rietkragen ('liggers'). Net als Forellen kunnen ze hun kleur aan die van de omgeving aanpassen, en daardoor zijn de roerloze dieren bijna onzichtbaar, ondanks hun grootte. Dat geldt vooral voor de eenjarige 'grassnoek', die in de dichte vegetatie een lichtgroene kleur aannneemt. Soms staan snoeken ook wel in open water, bijvoorbeeld in meren waar scholen prooivissen voorkomen ('jagers'). De ongepaarde vinnen vormen een functionele eenheid en werken als een peddelblad, daardoor kan de snoek vanuit stilstand bliksemsnel naar voren schieten, uit de dekking. Ontkomt de prooi, dan wordt die meestal niet verder achtervolgd, snoeken kunnen niet lang achtereen snel doorzwemmen. Karperachtigen worden vaak als prooi uitgezocht, maar daarnaast wordt zo ongeveer alles verslonden wat in de bek past, tot kikkers, kleine zoogdieren en jonge watervogels toe. Ook soortgenoten, overigens, wordt een bestand te talrijk, dan lossen snoeken hun demografische problemen op door kannibalisme, en in natuurlijke wateren komt overbevolking dus nooit voor.
De prooi wordt meestal van opzij gegrepen, vervolgens gedraaid en met de kop naar voren doorgeslikt. De terugwijzende tanden op het verhemelte en op de tong verhinderen dat de prooi ontsnapt. Al te grote prooidieren die bij de poging tot verzwelgen blijven steken, kunnen dus ook niet weer uitgespuwd worden, menige snoek is op die manier door verstikking om het leven gekomen. Maar het komt ook voor dat een grote prooivis met de staart nog uit de bek steekt, terwijl de voorste ichaamsdelen al in de maag van de snoek grotendeels verteerd zijn. Aldus kunnen snoeien vissen opeten die nauwelijks korter zijn jan zijzelf. Snoeken zijn uitsluitend overdag actief, het zijlijnorgaan en de ogen zijn hun belangrijkste zintuigorganen.
|
jonge snoek is anders getekend en schuilt vaak tussen de waterplanten voor grotere soortgenoten
|
Voortplanting
De paaitijd valt tussen februari en mei. Snoeken paaien graag op overstroomde gronden langs de oever, of op andere dichtbegroeide plaatsen in ondiep water, kuitrijpe vrouwtjes worden daar meestal door 2 of 3 kleinere mannetjes omgeven. Een vrouwtje kan ruim 300000 eieren produceren, die ca. 3 mm groot zijn, meestal kan men rekenen op ca. 40000 eieren per kilogram lichaamsgewicht. De eieren zijn kleverig en hechten zich aan waterplanten. Op die manier worden ze waarschijnlijk ook wel eens door watervogels meegenomen, zodat snoeken in wateren kunnen opduiken die ze anders op geen enkele manier hadden kunnen bereiken. Afhankelijk van de temperatuur komen de eieren na 1030 dagen uit, de jongen hebben een klierveldje aan de kop, waarmee ze zich aan planten of andere opjecten kunnen vastkleven. Na het vrijzwemmen eten ze eerst kleine planktonkreeftjes, maar bij een lengte van ca. 4 cm gaan ze al op kleine visjes over. Na een jaar kunnen ze een lengte van 30 cm bereikt hebben, afhankelijk van het voedselaanbod en ook weer de temperatuur. Pas na 3-4 jaar worden ze geslachtsrijp, in zeer warme meren soms een jaar eerder. Over de maximale grootte van Snoeken doen sterke verhalen de ronde, berichten over dieren van meer dan 1,5 m lengte bij een gewicht van meer dan 25 kg moet men echter met een flinke korrel zout nemen, in elk geval voor wat Midden-Europa betreft.
|
snoek gevangen aan een spinner
|
Economische betekenis
De snoek is een populaire hengelvis, maar commerciële visserij voor de handel vindt haast nergens plaats. De teelt van pootvis is echter een welkome bijverdienste voor viskwekerijen. Omdat de geprefereerde paaiplaatsen (zoals overstromingsgebieden en andere ondiepe, dichtbegroeide wateren) op veel plaatsen zijn verdwenen, hangt het voortbestaan van de snoekbestanden in toenemende mate van het uitzetten van pootvis af. In wateren uit het forellenen vlagzalmengebied, waar de snoek dankzij zijn aanpassingsvermogen ook best kan leven, is hij geen graag geziene gast, omdat hij de waardevolle, meer smakelijke soorten wegvangt, weliswaar smaakt snoekvlees ook uitstekend, maar het is erg graterig en dus toch van mindere kwaliteit. Maar de bestanden worden wel met pootvis aangevuld op plaatsen waar veel kleine witvis voorkomt, die niet op andere wijze wordt benut. Grote, dichte populaties kan men aldus echter niet bereiken, omdat snoeken onafhankelijk van de dichtheid van de prooidieren hun eigen bestand op de vooromschreven wijze zelf reguleren. Snoek wordt meestal met de snoeklepel of de spinner gevangen, in sterk beviste wateren zijn ze echter zeer voorzichtig en laten ze zich door de gebruikelijke spinner nauwelijks meer foppen.
|
|
|
|
|