|
|
De Sneep
de sneep
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Sneep
|
|
Wetenschappelijk :
|
Chondrostoma nasus
|
|
Engels :
|
Hotu, Aloge
|
|
Duits :
|
Nase
|
|
Frans :
|
Hotu
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam spoelvormig, op dwarsdoorsnede breed ovaal. Lengte meestal 25-40 cm, zelden tot 50 cm. Kop relatief klein, kegelvormig. Bek sterk onderstondig, de mondspleet breed, onderkaak met een hard, hoornachtig, neusvormig uitsteeksel, afstand tussen de mondspleet en de top van de hoornige 'neus' groter dan de oogdiameter. Schubben middelgroot. Rugzijde donkertot lichtgrijs, flanken zilverkleurig, buik wit. Alle vinnen grijsrood tot oranjerood.
55-66 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 11-13, aarsvin 13-15, borstvin 16-17, buikvin lail, staartvin 19.
|
De vorm van de mondspleet is kenmerkend voor de diverse Chondrostoma-soorten
|
Leefwijze en leefomgeving
De Sneep is een voedselspecialist, hij leeft in hoofdzaak van algaangroeisels die hij met behulp van de harde, krabberachtige laag op de onderkaak van stenen en andere substraten schraapt. Daarnaast eet hij ook kleine ongewervelde bodemdieren. Snepen leven vaak in grote scholen boven hun 'weidegronden' op de bodem van ondiepe wateren, niet in diep water, want daar dringt te weinig licht door om voldoende algen te laten groeien. Willen ze aan voldoende algen kunnen komen, dan moet de bodem ook uit grove keien of rotsen bestaan. Men vindt deze soort dan ook in hoofdzaak in stromende wateren in het barbelenen vlagzalmengebied. Hij komt echter niet alleen in rivieren voor, men vindt hem ook in meren met een harde bodem. Daar staan ze dan vaak 'op stroom' bij de inen uitmonding van de rivieren. Om hun zwaarverteerbare kost te bemachtigen, zijn ze lichamelijk op allerlei wijzen aangepast. Behalve een tot krabber omgevormde onderkaak bezitten ze keeltanden waarmee ze hun voedsel kunnen fijnwrijven, en ook een bijzonder lange, dunne darm, die vele malen langer is dan hun lichaam. Zulke lange darmen zijn kenmerkend voor planteneters, die voor de vertering van hun voedsel nu eenmaal veel tijd nodig hebben. Ter vergelijking: de Roofblei, die in hoofdzaak van lichtverteerbare vis leeft, heeft een zeer korte darm, nauwelijks langer dan het lichaam. Snepen 'grazen' vooral 's nachts, overdag staan ze meestal in grote groepen bijeen boven grindbodems in sterk stromend, ondiep water. Door hun lichte rug zijn ze daar van boven af moeilijk te zien, tegen de ondergrond van stenen. In de paaitijd (van maart tot mei) vormen ze grote scholen en ondernemen ze lange trektochten naar de bovenlopen of kleine zijrivieren, waar ze boven fijn grind afzetten, in water van hooguit 30 cm diep. Beide geslachten krijgen in die tijd paringsuitslag. Een enkel vrouwtje kan tot 100000 eieren afzetten.
Voordat onze rivieren gereguleerd waren, behoorde de Sneep plaatselijk tot de algemeenste riviervissen. Ze waren niet alleen het hoofdvoedsel voor veel roofvissen, maar ze werden ook in grote aantallen door commerciële vissers gevangen, tijdens de trek. Thans is de Sneep bijna geheel verdwenen, alleen plaatselijk komen nog armzalige, soms sterk verouderde restpopulaties voor. De oorzaken zijn bekend: de bouw van stuwdammen en andere hindernissen op de trekroutes, de verslibbing van de paaigronden door kunstmatige vertraging van de stroomsnelheid, en ook het uitspoelen van leem uit het aangrenzende akkerland.
Waar nog Snepen voorkomen, zijn ze ook voor de hengelaar interessant. Men vangt de sneep met aas op de bodem, wegens zijn specifieke voedingsgewoonten is hij overigens niet eenvoudig te vangen. Bovendien zijn de dieren erg schuw, bij de geringste verontrusting vluchten ze naar de sterkst stromende delen van het water. In Nederland leeft hij alleen nog in de Limburgse Maas.
|
|
|
|
|