www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Serpeling


de serpeling de serpeling
Andere namen
 
Nederlands : Serpeling
Wetenschappelijk : Leuciscus leuciscus
Engels : Dace
Duits : Hasel
Frans : Vandoise, Siège

Uiterlijke kenmerken

Lichaam meestal slank tot iets gedrongen, op doorsnijde bijna rond. Lengte meestal 15-20 cm, zelden tot 30 cm. Mondspleet klein (de voorste oogrand niet bereikend), iets onderstandig. Schubben groot. Rand van de uitgespreide aarsvin iets hol. Rugzijde donkerblauw of -grijs, flanken zilverig, buik witachtig. Buikvinnen en aarsvin lichtgrijs tot geelachtig.

47-53 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 10-11, aarsvin 10-12, borstvin 17-18, buikvin 10, staartvin 19.



de serpeling prefereert kleine, snelstromende rivieren en beken met grind- of zandbodem de serpeling prefereert kleine, snelstromende rivieren en beken met grind- of zandbodem
Leefwijze en leefomgeving

De Serpeling leeft in scholen, het is een van de handigste en snelste zwemmers onder de Karperachtigen. Hij prefereert kleine, snelstromende rivieren en beken met grindof zandbodem, in de onderste zone van het forellengebied, het vlagzalmgebied en de hogere zone van het barbelengebied, in meren vindt men hem vooral bij inof uitmondingen van rivieren. Toch zijn Serpelingen geen uitgesproken liefhebbers van koud water, de temperatuur moet 's zomers liefst wel 18 °C bereiken. Meestal staan ze in groepen dicht onder het oppervlak, loerend op aanvliegende insecten. Ze eten echter ook dierlijk plankton, weekdieren en insectenlarven van de bodem, een enkele keer ook plantenkost. In de voortplantingstijd (van maart tot mei) krijgen de mannetjes een fijnkorrelige paringsuitslag op het hele lichaam. Als de temperatuur boven 9 °C is gestegen, wordt groepsgewijs boven grindbodems gepaaid, de eieren zijn ca. 2 mm groot en kleven aan het substraat. Serpelingen worden na 3 jaar geslachtsrijp.

Vroeger was de Serpeling algemeen, maar omdat schone, snelstromende wateren buiten de gebergten een kostbare rariteit beginnen te worden, is hij thans in grote delen van Europa zeldzaam geworden. Bij hengelaars is hij niet zo in trek, want hij is erg graterig en dus weinig geschikt voor consumptie. Men zegt vaak dat de Serpeling schuw is, hij kan met de vliegenhengel maar ook met de dobber worden gevangen.

Knelpunten

Zand- en grindbanken zijn verdwenen, de afwisseling in bodemdieptes wordt kleinier in gekanaliseerde rivieren en beken. Door vermesting van het water raken grindbodems begroeid en/of vervuild. Daardoor verdwijnen de paaiplaatsen. Voor de opgroei van jonge serpelings ontbreekt vaak beschutting in de vorm van onderwaterplanten en oevervegetatie langs stromende wateren. Verstuwing is ook nadelig omdat de paaitrek, hoger stroomopwaarts wordt belemmerd. Het zuurstofgehalte van het water mag niet te veel dalen en de watertemperatuur moet onder de 25°C blijven.



  
Terug naar home