|
|
De Ruisvoorn
de ruisvoorn
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Ruisvoorn
|
|
Wetenschappelijk :
|
Rutilus erythrophthalmus
|
|
Engels :
|
Rudd
|
|
Duits :
|
Rotfeder
|
|
Frans :
|
Rotengle
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam zijdelings sterk samengedrukt, met hoge rug. Lengte meestal 20-30 cm, maximaal 45 cm. Kleine, duidelijk bovenstandige mondspleet, ogen geelgerand. Schubben groot, tussen de buikvinnen en de aars vormen ze een scherpe kiel. Rugvin duidelijk achter de buikvinnen geplaatst. Rugzijde donker, flanken meer witachtig, vaak met messingglans. In alle vinnen is wel wat rood zichtbaar, de vinbasis is donkerder, buikvinnen en aarsvin zijn meestal grotendeels bloedrood.
40-43 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 10-12, aarsvin 12-15, borstvin 16-17, buikvin 10, staartvin 19.
|
de ruisvoorn leeft in scholen, dit is een school jonge dieren
|
Leefwijze en leefomgeving
De Ruisvoorn prefereert rustige, ondiepe wateren met rijkbegroeide oevers en een zacht bodem. Hij leeft in meren en plassen, maar ook in ondiepe bochten en oude armen van grotere rivieren. Zelfs in schone, natuurlijke wateren komen ze nooit massaal voor (zoals bijv. de Blankvoorn), meestal doorkruisen ze in kleine, verspreide groepjes de dichte plantengroei langs de oever. Het is een typische bewoner van de benedenlopen, en hij verdraagt vrij hoge zoutconcentraties en komt zelfs in brak water voor, zoals in de Oostzee. In berggebieden vindt men hem echter alleen in wateren die 's zomers in elk geval bij de oever minstens tot 22 °C opwarmen. Tegen een laag zuurstofgehalte is hij redelijk goed bestand, de dieren staan dan vaak dicht onder het oppervlak en ademen alleen het allerbovenste waterlaagje in, misschien is dat wel de voornaamste reden waarom de mondspleet zo sterk omhooggericht is.
De Ruisvoorn eet vooral algen en zachte delen van hogere planten en is veel minder afhankelijk van dierlijk voedsel. In de paaitijd (april en mei) verzamelen de dieren zich in kleine schooltjes, een enkel vrouwtje kan tot 200000 eieren afzetten, die aan waterplanten blijven kleven. Soms wordt afgezet in gemengde scholen met andere herbivore Cypriniden, zoals Blankvoorn en Kolblei. Daarbij kunnen interspecifieke bastaarden ontstaan, die vaak lastig op naam zijn te brengen. Ruisvoorns leven lang, een leeftijd van 19 jaar is bewezen.
Weliswaar verdragen Ruisvoorns wel zuurstofarme, eutrofe omstandigheden, maar ze zijn toch zeer gevoelig voor anorganische vervuiling, vooral voor afvalwater van de industrie. Daarom is de soort uit veel benedenlopen van rivieren verdwenen. Ruisvoorns zijn belangrijk als prooivis voor Snoek en andere roofvissen, en daarom worden ze vaak uitgezet en naar andere wateren overgebracht. Dat heeft meestal alleen zin als die wateren door vervuiling hun oorspronkelijke Ruisvoornbestand verloren hadden (na opheffing van de oorzaak, uiteraard). De herbivore Ruisvoorn is in tuinvijvers vaak een uitstekend alternatief voor de uitheemse Graskarper.
|
|
|
|
|