|
|
De Roofblei
de roofblei
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Roofblei
|
|
Wetenschappelijk :
|
Aspius aspius
|
|
Engels :
|
Asp
|
|
Duits :
|
Schied, Rapten
|
|
Frans :
|
Aspe
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam langgestrekt, zijdelings weinig samengedrukt. Lengte meestal 50-70 cm, bij uitzondering 1,2 m bij een gewicht van ca. 12 kg. Mondspleet reikt tot onder het oog en is door de vooruitstekende onderkaak iets bovenstandig, onderkaak heeft een haakje aan de top, passend in een groef van de bovenkaak. Schubben klein. Aarsvin lang, door een diepe uitbochting sikkelvormig. Rugzijde donkerolijf tot blauwachtig, flanken met gelige glans, buik wit. Meestal wat rode nuances in borstvinnen, buikvinnen en aarsvin.
64-76 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 10-11, aarsvin 15-18, borstvin 16-17, buikvin 10-11, staartvin 19.
|
een roofblei in zijn schuilplaats
|
Leefwijze en leefomgeving
De Roofblei is de enige Europese karperachtige die zich als een echte roofvis gedraagt. Hij leeft in rivieren, bij voorkeur met flinke stroming, men vindt hem vooral in het barbelengebied, maar ook wel in de benedenlopen, in doorstroomde meren en zelfs in het brakke water van de Oostzee. Jonge dieren leven in groepen nabij het oppervlak, waar ze allerlei kleine planktondiertjes eten. Als hij 20-30 cm groot is geworden, gaat hij over op een dieet van voornamelijk vis, hij jaagt dan graag op Alvers, die ook bij het oppervlak leven. Op latere leeftijd gaat hij solitair leven, hij houdt zich dan vooral in het midden van rivieren op, wederom in de hogere waterlagen. Soms ziet men groepjes dieren van ongeveer gelijke grootte, die kennelijk gezamenlijk op jacht zijn. Omdat deze spectaculaire vissen In hun biotoop (ver van de oever) lastig waar te nemen zijn, weet men nog verbazend weinig over hun biologie. Behalve vissen eet hij ook kikkers en kleine watervogels.
In de paaitijd, in april en mei, onderneemt de Roofblei trektochten stroomopwaarts of in kleine zijrivieren, waar in sterk stromend water boven een grindbodem wordt afgezet. De mannetjes hebben in deze tijd een sterke paringsuitslag. Een vrouwtje kan tot 1 miljoen eieren produceren, die na ca. 2 weken uitkomen, de jongen gaan spoedig op een pelagische leefwijze over en drijven met de stroom mee naar rustiger watergedeelten. Ze groeien snel: na een jaar hebben ze vaak al een lengte van 20 cm. Geslachtsrijp worden ze pas na 4-5 jaar.
Omdat de Roofblei in de Midden-Europese rivieren nauwelijks meer geschikte paaiplaatsen kan bereiken, is ook deze soort een zeldzaamheid geworden. Hij schijnt nog het meest voor te komen bij de inen uitmondingen van rivieren in grote meren (zoals de Chiemsee in Zuid-Duitsland). Bij hengelaars is hij populair, zowel om zijn culinaire kwaliteiten als om zijn vechtlustige natuur. Economische betekenis heeft hij alleen in het oosten van zijn areaal.
|
|
|
|
|