|
|
De Rivierprik
de rivierprik
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Rivierprik
|
|
Wetenschappelijk :
|
Lampetra fluviatilis
|
|
Engels :
|
Lampern
|
|
Duits :
|
Flussneunauge
|
|
Frans :
|
Lamproie Fluviatile
|
Uiterlijke kenmerken
De lengte bedraagt doorgaans 3040 cm, grote vrouwtjes kunnen 50 cm halen en zijn dan zo dik als een duim. De kleur van de rugzijde is donkergrijs met groenachtige of blauwige weerschijn, en scherp afgegrensd van de zilverwitte buikzijde. Rugvin duidelijk tweedelig (maar tijdens de trek in de paaitijd met elkaar rakende delen). Mondschijf met schaarse, maar forse tanden opzij van de mondopening en aan de bovenrand, vlak boven de mondopening zit een brede plaat die aan weerszijden in een enkele tand uitloopt, onder de mond ziet men een rij van ca. 7 forse, scherpe tanden.
|
op deze foto zijn de zeven kieuwopeningen en de rasp-schijf van de bek goed te zien
|
Leefwijze en leefomgeving
Deze op een na grootste prik is anadroom, net als de Zeeprik, de dieren trekken in de herfst vanuit zee de rivieren op, tot de bovenloop. Het is nog niet duidelijk of de geslachtsrijpe dieren hun eigen geboorterivier weer opzoeken. In elk geval gaan ze daar eerst in winterrust, van maart tot mei paaien ze in ondiep water boven grindbanken, groepsgewijs. Een vrouwtje kan tot 40000 eieren produceren, de dieren sterven na de ei-afzetting. De larven (ammocoeteslarven) migreren naar geschikte beken en riviertjes, waar voldoende stroom staat om organische stof tot afzetting te laten komen maar ook weer om te werken. Daar leven ze 3-5 jaar in de bodem, ze eten micro-organismen, die ze uit het water filteren. Als ze ca. 15 cm lang zijn, ondergaan ze een metamorfose tot jonge prik, en in die vorm trekken ze vroeg in het voorjaar naar zee.
In zee vindt men ze vooral in ondiep water voor de kust. Ze leven daar van vissen (onder meer Haring en Schelvis), ze volgen daarbij de visscholen. Anders dan de Zeeprik, die in hoofdzaak bloed en andere lichaamssappen zuigt, kan de Rivierprik stukjes huid en spierweefsel van zijn slachtoffer afraspelen, daarbij boren ze zich vaak in de lichaamsholte van de prooi, die daardoor uiteraard wordt gedood. Hun levenswijze is dus meer die van een rover dan een parasiet. De kleiner blijvende 'praecox-vorm' van de Rivierprik bereikt al in de herfst van hetzelfde jaar zijn eindgrootte, de darm wordt dan gereduceerd en de dieren beginnen aan de trek naar het zoete water. Andere Rivierprikken blijven nog een jaar langer in zee, voordat ze geslachtsrijp worden.
Vooral in de Oostzee is de visserij op Rivierprik van economische betekenis, men vangt de dieren tijdens de trek stroomopwaarts, als ze nog flinke vetreserves hebben. In Finland worden zo elk jaar ruim 2 miljoen prikken gevangen. De Rivierprik is een bedreigde soort, door de verslechtering van de waterkwaliteit (waar alle prikken slecht tegen kunnen), door de aanleg van barrières op de trekroute en door verslibbing van de bodem in de gebieden waar ze als larve leven, op zich weer een gevolg van stroomregulering en eutrofiëring.
|
|
|
|
|