www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Regenboogforel


de regenboogforel de regenboogforel
Andere namen
 
Nederlands : Regenboogforel
Wetenschappelijk : Salmo gairdneri
Engels : Rainbowtrout
Duits : Regenbogenforelle
Frans : Truite Arc-En-Ciel

Uiterlijke kenmerken

Lichaam gestrekt, zijdelings iets samengedrukt, kop vrij groot, met stomp profiel en een diepe, minstens tot de achterrand van het oog reikende mondspleet. Lengte 25-50 cm, zelden tot 70 cm (bij een gewicht van 7 kg). Staartsteel afgeplat en vrij hoog. Rugzijde donker bruingroen, buik bijna wit, over de flanken loopt een meer of minder brede, roodachtig glinsterende, overlangse band. Rug en flanken (incl. rugvin, vetvin en staartvin) bezaaid met zwarte vlekjes.

125-160 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 14, aarsvin 13, buikvinnen 9. Alleen de middelste kieuwzeefaanhangsels van de eerste kieuwboog zijn staafvormig verlengd.

Omdat de in Europa voorkomende vormen van de Regenboogforel ontstaan zijn uit verschillende ondersoorten van de wilde soort uit Noord-Amerika en aan selectie door kwekers onderhevig zijn geweest, kunnen veel kenmerken aanzienlijk variėren met name kleur, lichaamsvorm, de relatieve grootte van de kop, maar ook skeletkenmerken zoals het aantal wervels.



een school regenboogforellen een school regenboogforellen
Leefwijze en leefomgeving

De Regenboogforel stamt uit Noord-Amerika en werd rond 1880 in Europa ingevoerd. Het oorspronkelijke areaal was beperkt tot het gebied ten westen van de Rocky Mountains, van Alaska tot Baja California. Daar bestaan (analoog aan de Europese Forel, Salmo trutta) zowel anadrome vormen die ruim 1 m lang en bijna 20 kg zwaar kunnen worden, naast niettrekkende zoetwaterpopulaties. In zee verdwijnen de 'regenboogkleuren' van de flanken en wordt de vis zilverwit, alleen de stipjes op de rugen staartvin blijven zichtbaar. De trekkende vormen leven eerst 2-4 jaar in zoet water, trekken dan naar de Stille Oceaan en leven daar ca. 3 jaar nabij de kust, daarna trekken ze terug naar de rivier waar ze zijn geboren, en dat herhalen ze dan waarschijnlijk elk jaar. Ook in Noord-Amerika is de Regenboogforel thans door het uitzetten van pootvis ver buiten zijn oorspronkelijke areaal verbreid. Tot in de jaren tachtig was de Regenboogforel bekend onder de naam Salmo gairdneri, inmiddels is duidelijk dat hij nauwer met de Pacifische zalmen (geslacht Oncorhynchus) verwant moet zijn dan met de Europese Salmo-soorten, en daarom is hij naar dat geslacht overgebracht.

Wegens zijn voortreffelijke kwaliteiten als consumptieen hengelvis is de soort nu vrijwel overal ter wereld uitgezet. Daarvoor werden overigens niet alleen de stationaire zoetwatervormen (bijv. uit de Sierra Nevada in California) gebruikt, maar deels ook kruisingsproducten met anadrome stammen, daardoor vertonen de uit viskwekerijen stammende Regenboogforellen uiteenlopende neiging om te gaan trekken. Voor het uitzetten van pootvis zijn natuurlijk alleen stationaire vormen bruikbaar. Voor kwekerijen in de gematigde zones is de Regenboogforel de meest geschikte Salmonide gebleken. Als consumptievis doet hij niet onder voor de inheemse Forellen, bovendien stelt hij minder hoge eisen aan de waterkwaliteit (vooral aan temperatuur en zuurstofgehalte). Als de omstandigheden verder in orde zijn, verdraagt hij 's zomers temperaturen tot 22 °C, voor korte tijd zelfs 27 °C. Hij is weinig kieskeurig in zijn eetgewoonten en went ook snel aan kunst voeder (anders dan de Beekforel). Regenboogforellen groeien ook snel en kunnen al na 2 jaar, bij een lengte van 25-30 cm, in de han del worden gebracht. In het tweede of derde levensjaar worden ze geslachtsrijp, afhanke lijk van de stam die voor de kweek gebruikt is, paaien de dieren tussen november en mei, de eieren komen na ca. 100 dagen uit.

Een belangrijk 'nevenbedrijf' van de vis kwekerijen is de productie van pootvis voor hengelverenigingen. Die wordt dan meesta uitgezet in wateren waaruit de Beekforel aJoor slechte waterkwaliteit en het ontbreken van schuilplaatsen (na regulering van de stroom) zijn verdwenen. Regenboogforellen lemen niet alleen genoegen met een mindere waterkwaliteit, maar ze jagen ook meer in Dpen water en zijn minder schuw, beide eigenschappen komen de hengelaar van pas, als hij er met vlieg of spinner jacht op wil maken. Toch kan alleen plaatselijk van echte injurgering worden gesproken, in de zin van zich natuurlijk voortplantende populaties, de meeste bestanden moeten steeds weer door nieuwe pootvis worden aangevuld. In sommige watertypen is dat misschien niet bezwaarijk, maar het levert problemen op als de Regenboogforel inheemse vissen gaat beconcurreren en verdringen. Gelukkig houden Regenboogforellen het in de door Beekorellen geprefereerde biotopen niet lang uit, en ze trekken dan stroomafwaarts weg. Toch noet men zich ernstig afvragen of het permaiente uitzetten van exotische soorten ten geieve van de hengelaar in feite geen wanbeheer van onze natuurlijke wateren genoemd moet worden. Sterke afkeuring verdient in elk geval het uitzetten van eenjarige of zelfs bijna volgroeide Regenboogforellen, wat soms wordt gedaan om de aantrekkelijkheid van viswateren te vergroten. Een rechtgeaarde hengelaar kan geen vreugde beleven aan het vangen van zulke aan kunstvoer gewende vissen, die nauwelijks in staat zijn in hun nieuwe woonomgeving aan eten te komen.


  
Terug naar home