|
|
De Pos
de pos
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Pos
|
|
Wetenschappelijk :
|
Gymnocephalus cernuus
|
|
Engels :
|
Ruffe
|
|
Duits :
|
Kaulbarsch
|
|
Frans :
|
Grémille
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam enigszins gedrongen, zijdelings samengedrukt. Lengte 10-15 cm, maximaal 25 cm. Kop groot, met grote ogen en korte, stompe snuit (weinig langer dan de oogdiameter), mondspleet tamelijk groot, eindstandig. Kieuwdeksel naar achteren in een spitse doorn uitlopend. Middelgrote ctenoidschubben, zijlijn onvolledig (eindigt op de staartsteel) Rugvin niet gedeeld, waar wel diep uitgerand tussen het stekelige voorste deel en het zachtstralige achterdeel, buiken aarsvin voorafgegaan door een stekel. Rug en flanken meestal donkerbruin tot olijf, met talrijke onregelmatige, zwarte vlekken, ook de rugen staartvin donker gevlekt, buik wit of iets groenachtig.
35-40 schubben in de langste rij. Vinstralen: rugvin 12-16/11-15, aarsvin 11/5-6, borstvin 13, buikvin 1/5.
|
closeup van de kop van een pos
|
Leefwijze en leefomgeving
De Pos leeft in grote scholen op de (liefst zandige) bodem van langzaam stromende of stilstaande wateren. Ze zijn het talrijkst in brak water bij de monding van rivieren, zeer grote exemplaren vindt men in de haffen (lagunes) langs de Oostzee. Ze zoeken hun voedsel voornamelijk op de bodem: kleine kreeftachtigen, wormen en andere ongewervelden. De paaltijd duurt van maart tot mei. Een enkel vrouwtje produceert tot 100000 eieren, die in gelei-achtige ballen of in snoeren op stenen worden afgezet, in ondiep water. Bij een temperatuur van 10-15 °C komen ze na 8-12 dagen uit. De Pos is een typische pioniersoort, nieuw ontstane wateren (bijv. grindgroeven) worden snel in bezit genomen. Hij is tamelijk resistent tegen vervuiling, maar verdwijnt als de bodem met rottend slik bedekt raakt. Voor de hengelaar zijn deze kleine vissen niet interessant, beroepsvissers vinden hem zelfs lastig, omdat hij met zijn stekels in de netten vastraakt.
|
Ecologische betekenis
De pos komt algemeen voor in open water zoals het IJsselmeer. Tijdens de paaitijd in april-juni vormt de pos grote scholen. Ze paaien in ondiep water op waterplanten, stenen en obstakels. Pos is naast de blankvoorn het belangrijkste voedsel voor de aalscholver.
|
|
|
|
|