www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Paling


de paling of aal zoals hij ook vaak genoemd wordt de paling of aal zoals hij ook vaak genoemd wordt
Andere namen
 
Nederlands : Paling
Wetenschappelijk : Anguilla anguilla
Engels : Eel
Duits : Aal
Frans : Anguilla

Uiterlijke kenmerken

Lengte bij vrouwtjes gemiddeld 60 cm, maximaal 1,3 m bij een gewicht van ca. 6 kg. Mannetjes veel kleiner, tot 40 cm. Lichaam langgestrekt, slangvormig. Rugen aarsvin onmerkbaar overgaand in de staartvin, verbonden tot een vinzoom die de achterste lichaamshelft geheel omgeeft. Buikvinnen ontbreken. Nergens harde vinstralen. Kop van boven gezien toegespitst tot breed afgerond (afhankelijk van de vorm), eindstandige mondopening met diepe, tot onder het oog reikende mondspleet en iets vooruitstekende onderkaak. De huid produceert rijkelijk slijm en lijkt onbeschubd, in feite zijn de schubben zeer klein en geheel in de huid ingebed. De in zoetwater levende fase van de Aal is donkerbruin tot geelolijf met geelachtige tot witte buik. Naar zee trekkende dieren ('schieraal' of 'paling') hebben een sterke zilverglans op de buik en de flanken, sterk contrasterend met de zeer donkere rug, de borstvinnen zijn diepzwart.



paling verschuilt zich graag in de bodem of obstakels paling verschuilt zich graag in de bodem of obstakels
Leefwijze en leefomgeving

In de wereldzeeën leven honderden soorten aalachtige vissen, waaronder de bekende murenen, maar ook talrijke bizar gevormde diepzeevissen. Slechts weinig soorten brengen althans een deel van hun leven in zoet water door, dat geldt vooral voor de 16 soorten omvattende familie Anguillidae. Deze zijn haast wereldwijd verbreid, ze ontbreken alleen in de rivierstelsels die in de zuidelijke Atlantische Oceaan en de oostelijke Stille Oceaan uitmonden.

Veel vissoorten die oorspronkelijk in zoet water leefden, hebben hun groeifase verlegd naar zee, waar het voedselaanbod veelzijdiger is, zo ontwijken ze de concurrentie met andere zoetwatervissen. Ze betalen daar wel een prijs voor, ze moeten lange trektochten ondernemen, met groot verlies van levens, om terug te keren naar de rivieren waar hun voorouders leefden. Want alleen de volwassen dieren verdragen de zoutconcentratie van het zeewater, de eieren en de jongen kunnen er niet tegen. Voorbeelden van zulke anadrome vissen zijn de Zalm en de Steur. Maar weinig vissoorten, waaronder ook onze Aal, hebben de omgekeerde weg gekozen. Ze paaien nog steeds in zee, net als hun verwanten en voorouders, maar ze zoeken in de groeifase juist de rivieren en de meren op. Deze schijnbaar tegenstrijdige ontwikkeling kan zijn bevorderd doordat deze 's nachts actieve, op de geurzin jagende bodemvissen in hun ecologische niche in zoet water maar weinig concurrentie ondervinden.

de route van de paling van en naar hun paaigebied in de Sargasso zee de route van de paling van en naar hun paaigebied in de Sargasso zee
Voortplanting

De voortplanting van de Aal was tot voor ongeveer 70 jaar volledig in raadselen gehuld, want niemand had toen ooit dieren met volledig ontwikkelde geslachtsorganen gevangen. Pas na decennia van onderzoek kwam de Deense wetenschapper Johannes Schmidt met een sluitende verklaring, maar ook nu zijn nog lang niet alle vragen opgelost. De Alen uit Europa paaien in de Sargassozee, een stromingsarm deel in het westen van de Atlantische Oceaan. Weliswaar heeft men de dieren nog nooit bij de ei-afzetting gezien, maar men vindt er veel larven en uit allerlei proeven blijkt dat de dieren zich daar tussen maart en juni op diepten tussen 150 en 500 m en bij een temperatuur van ca. 19 °C voortplanten. De ouders gaan na de paring dood. De pas uitgekomen larven zijn 3 mm lang en ontwikkelen zich temidden van het plankton tot zogeheten leptocephaluslarven. Deze vorm vinden we ook vaak bij larven van andere, permanent in zee levende verwanten van de Aal, het lichaam is sterk samengedrukt en lijkt in omtrek op een wilgenblad. Dit larvenstadium, dat helemaal niet op de volwassen Aal lijkt, werd in het midden van de 19de eeuw als een aparte soort beschreven, onder de naam leptocepfialus brevlrostris'. De larven trekken met de Golfstroom mee en bereiken na ongeveer drie jaren de kusten van Europa. Of ze daarbij alleen maar passief meedrijven of ook actief trekken is nog niet helemaal duidelijk, 's Nachts zwemmen ze bij het oppervlak, maar overdag zinken ze naar grote diepte, hun verticale beweging gedurende het etmaal kan wel 500 meter bedragen.

glasaal, het lichaam is vrijwel geheel doorzichtig glasaal, het lichaam is vrijwel geheel doorzichtig

Na 3 jaar zijn ze ongeveer 7 cm lang, en dan komen ze aan bij de continentale helling van Europa, waar het water minder dan 1000 m diep wordt. Daar krijgen ze binnen ongeveer 24 uur de typische aalvorm, wat dat veroorzaakt is nog onbekend. De zo ontstane glasaal (ook elver genoemd) lijkt al wel op de volwassen dieren, maar is ongepigmenteerd, geheel doorzichtig en ca. 5 cm lang, iets korter dus dan de leptocephaluslarve waar hij uit ontstond. Glasalen zijn actieve zwemmers, die met een snelheid van ca. 8 km per dag op de brakwatergebieden langs de kust aansturen. Daar houden ze zich enige tijd op, om hun stofwisseling aan het zoetwaterleven aan te passen, en ten slotte begeven ze zich in de rivieren. De reis naar de riviermonden duurt voor alle glasalen niet even lang. Aan de atlantische kusten van Frankrijk en de Britse eilanden (waar dan ook de grootste aantallen in de rivieren opstijgen) worden de arriverende glasalen elk jaar al in september waargenomen. Pas in februari bereiken ze de riviermonden in de Noordzee, en vanaf mei komen ze in de centrale delen van de Oostzee aan daar zijn ze dan al gepigmenteerd en een stukje gegroeid. Hoe verder een rivier naar het oosten ligt, des te minder glasalen stijgen er in op. Dat geldt ook voor de Middellandse Zee, maar heel weinig glasalen bereiken de Bosporus, en in de rivieren rond de Zwarte Zee zijn Alen van nature dan ook uiterst zeldzaam.

Een vistrap draagt bij aan de trek van de jonge paling landinwaarts Een vistrap draagt bij aan de trek van de jonge paling landinwaarts
Van zee naar rivier

Welke rivier een individuele glasaal optrekt, hangt waarschijnlijk van diverse factoren af, zoals zeestromingen en weersomstandigheden, van jaar tot jaar kunnen zich aldus grote verschillen voordoen. Althans vroeger trokken de glasalen soms in meters brede en kilometers lange scholen de West-Europese riviermondingen binnen. In deze fase eten de dieren niet, ze verliezen gewicht en de lengte wordt minder. Pas tijdens de trek stroomopwaarts komen ze geleidelijk op kleur en dan beginnen ze ook te eten. Stroomopwaarts trekkende glasalen ('montée') zwemmen in scholen nabij de oevers. Aan het oppervlak zijn ze alleen 's nachts waar te nemen, bij daglicht trekken ze zich in dieper water terug. Zo teer als ze er mogen uitzien, blijken ze toch in staat stroomversnellingen en zelfs 20 m hoge watervallen (zoals die van Schaffhausen) te overwinnen, door gebruik te maken van ondiepe goten aan de randen, waar ze zich over het ruwe gesteente naar boven werken. Ze hebben daarbij slechts een dun laagje water nodig, juist voldoende om de huid nat te houden, waarmee ze ademen. Dergelijke situaties doen zich bij alle natuurlijke watervallen voor, maar niet bij stuwdammen. Zonder vistrappen en andere hulpmiddelen kunnen ze dergelijke hindernissen niet passeren. De geslachten trekken overigens niet even ver de rivier op, mannetjes blijven in de buurt van de benedenloop of zelfs in brak water, terwijl de vrouwtjes soms wel 1000 km stroomopwaarts trekken.

De door pigmentvorming in normale zoetwateralen veranderde dieren vestigen zich ten slotte in uiteenlopende watertypen, bij uitzondering zelfs tot in het vlagzalmgebied of zelfs het forellengebied. Maar meestal wordt de voorkeur gegeven aan warmere, stilstaande of traag stromende wateren. Belangrijk is het voorhanden zijn van donkere schuilplaatsen, waarin de Alen overdag kunnen verblijven, dat kan een stenige oever zijn, of de wortelmassa van bomen op de kant, of gewoon een zachte slikbodem waar het dier zich kan ingraven. Heeft een Aal eenmaal een passende woonplaats gevonden, dan blijft hij die ook opmerkelijk trouw, hij begeeft zich zelden verder dan een paar honderd meter ervandaan. Wel kunnen vooral Alen uit stromend water overgaan tot seizoengebonden trekbewegingen tussen zomeren winterkwartieren, waarbij afstanden tot 60 km worden afgelegd. Stijgende waterstanden in het voorjaar schijnen de dieren tot stroomopwaartse trek te stimuleren, terwijl een dalend peil in de herfst het omgekeerde effect heeft. Bij lage temperaturen in de winter eten Alen niet, ze houden dan een winterrust in diepe, vorstvrije waterlagen. Daarentegen zijn ze in warmere seizoenen vrijwel onafgebroken op voedseljacht, althans in de schemering en de nacht. Ze zoeken de bodem in de omgeving van hun woonverblijf op prooidieren af, en daarbij speelt de diepte kennelijk geen rol. Wel werken lage temperaturen op de bodem van grote meren beperkend, evenals zuurstofgebrek in de diepte van eutrofe wateren.

het verschil tussen een breedkop (L) en spitskop (R) is duidelijk zichtbaar het verschil tussen een breedkop (L) en spitskop (R) is duidelijk zichtbaar
Voedselaanbod en ontwikkeling

Bij hun voedselkeuze zijn Alen weinig kieskeurig. Kleine exemplaren eten vooral ongewervelden zoals weekdieren, kleine kreeftachtigen en wormen, insectenlarven spelen een veel geringere rol. Bij een rijk voedselaanbod houden ook grote Alen zich in hoofdzaak aan een dergelijk menu, zulke dieren herkent men dan aan de (in bovenaanzicht) spitse kop ('spitskopaal'). Andere individuen gaan tijdens de groeiperiode in hoofdzaak vis eten en krijgen op den duur een breed afgeronde kop ('breedkopaal'). Deze ontwikkeling schijnt door de voedselkeuze bepaald te worden en is niet erfelijk vastgelegd. Door zich toe te leggen op verschillende prooienspectra doen de beide vormen elkaar geen concurrentie aan, zodat er in hetzelfde water meer Alen aan de kost kunnen komen. Volledig ongegrond is de gangbare, ook in de literatuur vastgelegde mening, als zouden Alen aas eten. Hooguit gebruiken ze misschien wel eens een paardenschedel of zoiets als schuilplaats. Bij zeer hoge dichtheden in de populatie (die echter bijna altijd terug te voeren zijn op ondeskundig uitzetten van pootvis) kunnen Alen problemen veroorzaken, vooral doordat ze dan een slachting aanrichten onder de rivierkreeften, maar ook doordat ze verzot zijn op visbroed. Alleen Salmoniden hoeven niet bang te zijn voor Alen als broedrovers, omdat ze hun eieren afzetten bij zulk een lage temperatuur dat Alen nog geen trek in eten hebben. Tijdens de trek van de glasalen stroomopwaarts gedragen oudere Alen zich ook wel kannibalistisch, zo heeft men al eens 16 glasalen gevonden in de maag van een slechts 33 cm lange soortgenoot. Afhankelijk van het voedselaanbod in de woonomgeving duurt de groeifase van de Aal bij mannetjes 5-8 jaar, bij vrouwtjes soms wel 12 jaar. Bij Alen die niet terug naar zee konden migreren zijn leeftijden tot ruim 50 jaar vastgesteld.

Palingkweek

Het is in 2003 in Leiden onder leiding van prof. Guido van den Thilart gelukt om in een laboratorium palinglarven te kweken. De voeding van deze larven is echter nog een groot probleem. De bevruchting en het uitkomen van paling is in de natuur nog nooit door mensen waargenomen. Zodoende is ook niet bekend wat de palinglarven eten. In Japan is men al sinds 1974 bezig met het kunstmatig vermeerderen van paling. Ook daar is het voedsel voor de palinglarven een probleem. De Japanners lopen wel voor op de Europese onderzoekers en hebben een soort voeding gemaakt voor de palinglarven. Op dit moment worden in Japan elke vrijdag palinglarven geboren. Dit gebeurt allemaal op zeer kleine laboratoriumschaal. Het betekent echter wel een stap in de richting van kunstmatige vermeerdering van paling. De Japanners krijgen elk jaar ten minste 1,5 miljoen euro om het onderzoek voor de juiste voedselsamenstelling voor de palinglarven te financieren. Dit maakt het misschien mogelijk om paling van begin tot einde commercieel te gaan kweken. In Nederland is momenteel weinig tot geen financiële ondersteuning voor verder wetenschappelijk onderzoek.


  
Terug naar home