|
|
De Marmergrondel
de marmergrondel
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Marmergrondel
|
|
Wetenschappelijk :
|
Proterorhinus marmoratus
|
|
Engels :
|
Tubenose Goby
|
|
Duits :
|
onbekend
|
|
Frans :
|
onbekend
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam matig slank, zijdelings iets samengedrukt. Lengte tot ca. 11 cm. Kop kort en hoog, met een kleine, eindstandige mondspleet die niet tot onder het oog reikt, voor de neusopeningen zijn twee korte tentakels zichtbaar. Ogen hoog in de kop gezet, een beetje kikkerachtig. Schubben groot, zijlijnorgaan ontbrekend. Rugvin zeer lang, tweedelig, het voorste deel kort en door stekelstralen gesteund. Buikvinnen borststandig en tot een zuignap vergroeid, borstvinnen lang, tot de voorrand van de aarsvin reikend, aarsvin zelf ook lang. Kleuren variabel, van de stemming afhankelijk, meestal een donkere marmertekening of fijne stipjes op geelachtige grondkleur. Dominante mannetjes zijn in de voortplantingstijd vrijwel zwart.
36-48 schubben op de zijlijn. Vinstralen: voorste rugvin 6-7, achterste rugvin 1/14-19, aarsvin 1/11-17.
|
Leefwijze en leefomgeving
Er zijn wereldwijd bijna 2000 soorten grondels (familie Gobiidae). De meeste leven in kustzeeën, maar veel soorten zijn euryhalien (net als de slijmvissen) en dringen vaak ook in zoet water door, enkele leven permanent in zoet water. De Gemarmerde grondel is zo'n soort, en inderdaad uitstekend aangepast aan het leven in binnenwateren. Hij komt in zeer uiteenlopende biotopen voor: in de getijdenzone aan de kust, langs de oevers van krachtig stromende rivieren, maar ook in de ondiepe plasjes die rivieren na overstromingen achterlaten. Belangrijk zijn stenige oevers met veel schuilgelegenheid, op zulke plaatsen komt deze soort vaak talrijk voor, maar wel elk dier in zijn eigen hol. Meestal loeren ze vanuit de ingang op buit(ongewervelden, maar ook kleine visjes). Buiten het hol roetsjen ze handig over gladde stenen, met behulp van de tot een zuignap omgebouwde buikvinnen, men ziet ze maar zelden vrij zwemmen. Het vrouwtje kleeft haar eieren in het voorjaar op een harde ondergrond in een holletje, een legsel bestaat vaak uit ca. 200 eieren, die bij 18 °C na ongeveer 3 weken uitkomen.
|
een prachtig gekleurde marmergrondel
|
Verspreiding van de marmergrondel
De Marmergrondel heeft zich vanuit zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied rond de Kaspische- en Zwarte Zee via de Donau steeds verder uitgebreid naar West-Europa. In 1985 werd de soort voor het eerst waargenomen in de bovenloop van de Donau, in het Duitse Beieren. Via het Main-Donaukanaal, dat in 1992 verder is uitgegraven, kwam de soort in 1998 aan in de Main, een zijrivier van de Rijn. In 2000 was de grondel tot Bonn gevorderd en dit voorjaar bleek de soort in ons land gearriveerd.
Nu wordt deze route vaak ten onrechte genoemd als reden voor het voorkomen van andere Oost-Europese vissoorten in het stroomgebied van de Rijn, zoals roofblei, blauwneus en donaubrasem. Van deze soorten is overigens in de Nederlandse Rijntakken alleen de roofblei vrij talrijk. De Blauwneus wordt hier sporadisch gezien en de Donaubrasem is nog in het geheel niet gesignaleerd. Al deze soorten zijn via het uitzetten van partijen vis uit het voormalige Oostblok ten behoeve van de sportvisserij doelbewust (roofblei), dan wel onbedoeld (blauwneus, donaubrasem) geïntroduceerd in zogenaamde 'Baggerseen' in het Duitse stroomgebied van de Rijn. Van hieruit hebben de soorten zich verder verspreid, daarbij geholpen door de extreme hoogwaterpieken in 1993 en vooral 1995. Alleen voor de marmergrondel staat vast dat deze het stroomgebied van de Rijn vanuit het Main-Donau Kanaal heeft gekoloniseerd.
Aangezien de soort zich ook thuis voelt in brakke en zoute wateren, zou de opmars van de Marmergrondel wel eens veel verder kunnen reiken. Een doorsteek naar de Noordzee-kustwateren lijkt nu eenvoudig te maken. Het feit dat er, verdeeld over drie monsters, direct al vijf exemplaren zijn gevangen geeft aan dat de soort in de Waal bij Nijmegen al niet zeldzaam meer is. In 2005 werden 8 exemplaren gevangen aan het begin van het Valleikanaal in Utrecht en in 2006 hadden ze zich al weer verder stroomafwaarts in het Valleikanaal gevestigd. Ook op andere plekken niet ver van de grote rivieren zijn marmergrondels aangetroffen (uiterwaarden Pannerden).
|
|
|
|
|