|
|
De Kwabaal
de kwabaal
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Kwabaal
|
|
Wetenschappelijk :
|
Lota lota
|
|
Engels :
|
Burbot
|
|
Duits :
|
Quappe
|
|
Frans :
|
Lote de Rivičre
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam zeer langgestrekt, van voren rolrond, naar achteren steeds meer zijdelings samengedrukt. Lengte 30-60 cm, maximaal 1 m. Kop breed en plat, mondspleet iets onderstandig, breed, aan de kin zit een lange baarddraad, achter de voorste neusopeningen zit nog een paar zeer korte baarddraden. Schubben zeer klein en dun, de zijlijn eindigt voor de staartsteel. Rugvin in tweeën gedeeld, extreem lang. Buikvinnen keelstandig (nog voor de borstvinnen aangezet), aarsvin zeer lang. Staartvin afgerond. Rug en flanken lichtbruin tot geelachtig, met meer of minder contrasterende vlekkenof marmertekening, buik lichtgekleurd.
Vinstralen: voorste rugvin 9-16, achterste rugvin 67-85, aarsvin 65-78, borstvin 17-22, buikvin 6-8.
|
de kwabaal is zover bekend de enige zoetwatervis in Europa met een enkele baarddraad, een kenmerk van de kabeljouwfamilie
|
Leefwijze en leefomgeving
De Kwabaal is de enige zoetwatervis in de Kabeljauwfamilie, alle andere soorten (zoals de Kabeljauw zelf, en de Schelvis) leven in zeeën met hoog zoutgehalte, vooral in de noordelijke Atlantische Oceaan. In de verte lijkt de Kwabaal wat op een meerval, maar hij prefereert heldere, koude, zuurstofrijke wateren, waar men onze meervallen niet vindt. Weliswaar komt hij ook in benedenlopen van rivieren voor, en zelfs in brakke riviermonden, maar hij heeft toch een duidelijke voorkeur voor flink stromende wateren of doorstroomde meren van het barbelengebied tot het middelste forellengebied, in de Alpen is hij tot 2000 m hoogte waargenomen. Belangrijk is een zandof grindbodem, weke, slikkige bodems worden gemeden.
De Kwabaal is een nachtdier, overdag zit hij in een schuilplaats op de grond. Hij leeft van ongewervelde bodemdieren, vanaf een lengte van 20-30 cm eet hij in hoofdzaak kleine visjes, waaronder vooral bodembewonende soorten zoals Riviergrondel en Bermpje. Ook viskuit wordt gegeten. In tegenstelling tot de meeste andere vissen is de Kwabaal vooral in het koude seizoen actief (in de zomer wordt de voedselopname sterk ingeperkt), en dat heeft hem bij beheerders van forellenbeken geen goede naam bezorgd. In de paaitijd (november tot maart) zwemmen de dieren in scholen stroomopwaarts, om hun zeer talrijke eieren af te zetten boven zandige of stenige bodems. De jongen komen na 6-10 weken uit het ei, zijn eerst pikzwart en brengen hun jeugd vaak in de allerkleinste beekjes door. In het 3de of 4de jaar worden ze geslachtsrijp. Gezien zijn verscholen leefwijze hebben we weinig gegevens over de ontwikkeling van de bestanden. Na de aanleg van stuwdammen werd nu en dan een achteruitgang waargenomen, teweeggebracht door versperring van de weg naar de vroegere paaigronden. In beken werd hij vaak actief bestreden omdat hij forellenbroed eet, en daardoor is hij op veel plaatsen geheel verdwenen. De kwabaal is overigens een uitstekende consumptievis, die vooral in de winter met de liggende haak wordt gevangen.
|
jonge kwabaal, de enkele baarddraad is wel al zichtbaar
|
Status in Nederland
In de jaren dertig kwam de kwabaal nog veelvuldig voor in de Friese, Hollandse en Utrechtse plassengebieden. Verder was de kwabaal algemeen in de Drentsche Aa, de Hunze en beken van de Gelderse Vallei. Er zijn waarnemingen uit de jaren vijftig uit de Dinkel, de Berkel, de Ruurlose beek en het Kromme-Rijngebied. In de Maas en de Limburgse beken kwam de kwabaal toen in grote getale voor. In Noordwest-Overijssel en Friesland zou de kwabaal zijn afgenomen door verlies aan paaigelegenheid en opgroeigebieden. In 1972 berichtten beroepsvissers van Zuid-Hollandse wateren dat de kwabaal was verdwenen of zeldzamer werd. Eind jaren zestig werd in de Maas en de Limburgse beken de kwabaal met uitroeiing bedreigd.
Zeer waarschijnlijk is er een achteruitgang in areaalgrootte met een factor vijf in 50 jaar (80%). Uit het RIVO monitoringsonderzoek (blijkt een toename eind jaren tachtig in het Rijnsroomgebied, maar deze zet niet door. Het aantal vangsten en rangnummerpositie nemen weer af. Zie onderstaande figuur.
De plaatsen waar nu met enige regelmaat kwabalen worden gevangen zijn: het Hollands/Utrechtse plassengebied, de Biesbosch, het Volkerak, de Krammer, de Waal, het gebied van de Gelderse Poort, de Gelderse IJssel en het Ketelmeer, verder in de Drentse Aa, de Overijsselse Vecht en de Boven-Slinge. Er is gericht onderzoek vereist naar verblijfplaatsen van de kwabaal, mogelijk is de schatting van de achteruitgang (80%) aan de hoge kant. Echter, zelfs als het aantal vindplaatsen van de kwabaal zou verdubbelen, is er op grond van de documentatie uit de periode rond 1930-1955 nog steeds sprake van een afname met 60%, zodat de vissoort in aanmerking komt voor de status bedreigd.
|
|
|
|
|