|
|
De Kroeskarper
de kroeskarper
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Kroeskarper
|
|
Wetenschappelijk :
|
Carassius carassius
|
|
Engels :
|
Crucian Carp
|
|
Duits :
|
Karausche
|
|
Frans :
|
Carassin
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam hoogruggig, zijdelings samengedrukt. Lengte meestal 15-30 cm, maximaal 75 cm (naar wordt gezegd). Mondspleet eindstandig, zonder baarddraden. Schubben groot, zijlijn volledig. Rugvin lang, met bollende (convexe) zoom, aarsvin kort, staartvin maar weinig uitgerand. Rugzijde donkerbruin tot olijf, flanken en buik lichter bronskleurig tot geelachtig. Op de staartwortel ziet men een grote, donkere vlek (bij oude dieren vaak onduidelijk). Vinnen donker grijsbruin, de gepaarde vinnen vaak rood aangelopen.
31-35 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 17-25, aarsvin 8-11, borstvin 13-16, buikvin 8-11, staartvin 19-20.
|
een goudkleurige kweekvorm van de kroeskarper
|
Leefwijze en leefomgeving
De Kroeskarper leeft in schooltjes in stilstaande wateren, bij voorkeur kleine, ondiepe, rijkbegroeide meren en plassen. Vroeger was het een typische bewoner van overstroomde uiterwaarden langs rivieren, waar na het vallen van het water afgesneden, 'dode' rivierarmen en poelen overbleven. Hij is goed aangepast aan dit voor vissen extreme milieu, hij kan beter tegen zuurstofgebrek, sterke opwarming en zelfs organische vervuiling dan alle andere Europese vissen. Hij is ook minder gevoelig voor verzuring van het water, en komt zelfs in petgaten en meerstallen in veengebieden voor. Droogt zijn poeltje op, dan kan hij nog een tijdlang in het natte slik in leven blijven, daarbij brengt hij al zijn lichaamsfuncties tot het minimum terug, zodat hij bijna geen zuurstof voor de stofwisseling nodig heeft. In de paaitijd (mei en juni) begeven de dieren zich in scholen naar dichtbegroeide ondiepten bij de oever, om af te zetten, een enkel vrouwtje kan tot 300000 eieren produceren, die aan de planten kleven en na 3-7 dagen uitkomen. Populaties in kleine poelen ontwikkelen kommervormen, grote exemplaren vindt men alleen in grote, voedselrijke waterren.
Of de Kroeskarper zich vroeger in hoofdzaak door natuurlijke oorzaken (zoals overstromingen) over Europa heeft verspreid, is onduidelijk, het kan ook zijn dat de mens hem heeft uitgezet, omdat hij goed eetbaar is. In elk geval is het huidige voorkomen sterk versnipperd, en op veel plaatsen wordt hij geleidelijk verdrongen door de minder gespecialiseerde Giebel {Carassius gibeliói. Vaak treedt daarbij bastaardering op. De kruisingsproducten zijn meestal lastig te determineren, zodat het vervangingsproces (het 'eclipseren' van de Kroeskarper) vaak onbemerkt verloopt. Waar nog grote Kroeskarpers voorkomen, is het vissen op de smakelijke, zij het graterige dieren een lonende bezigheid voor de hengelaar, meestal worden ze met de liggende haak gevangen. Vooral vroeger werden ze ook in vijvers gekweekt. Van de Kroeskarper bestaat een xanthoristische (goudkleurige) variëteit, die als siervis wordt gehouden.
|
een kroeskarper in de natuur
|
Ecologische betekenis
Oorspronkelijk hoort de kroeskarper thuis in poelen in overstromingsvlakten bij rivieren. De vis is goed aangepast aan natuurlijke waterpeilverlaging in de zomer. In de referentieperiode was de kroeskarper talrijk in stilstaande wateren overal in Nederland. Er zijn geen aanwijzingen dat de kroeskarper in de jaren zestig snel achteruit ging. Uit berekeningen op de gegevens voor de verspreidingsatlas blijkt echter een geleidelijke afname van de vangfrequentie tussen 1971 en 1989 bij het visserijkundig onderzoek in diverse wateren. Het monitoringsonderzoek in de grote rivieren tussen 1987 en 1996 geeft geen duidelijke trend weer, mogelijk daalt het aantal.
De kroeskarper leeft in wateren met veel onderwaterplanten. Deze zijn waarschijnlijk belangrijk als paaigebied en opgroeigebied voor jonge vis. Vermesting van het water, waardoor waterplanten verdwenen, is mogelijk een oorzaak van de vermindering in aantallen in de jaren zeventig. De vis is ook extra gevoelig voor verontreiniging met PCB’s en verzuring van het water. In het Donaugebied en verder in Oost-Europa wordt verdringing door de giebel genoemd als oorzaak van de achteruitgang. In Nederland is dit nog niet aan de orde omdat er alleen in het Westland sprake is van giebelpopulaties in hoge dichtheden. Op andere plaatsen worden giebels slechts incidenteel gevangen. Giebels hebben ook meer een voorkeur voor wateren met een zanderige of kleiige bodem, terwijl kroeskarpers altijd gevangen worden in wateren met een diepe sliblaag, waarin ze zich bij onraad ook ingraven. Er is nog te weinig bekend over de ecologie van de kroeskarper in Nederlandse wateren.
|
|
|
|
|