|
|
De Kopvoorn
de kopvoorn
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Kopvoorn
|
|
Wetenschappelijk :
|
Leuciscus cephalus
|
|
Engels :
|
Chub
|
|
Duits :
|
Döbel, Aitel
|
|
Frans :
|
Chevaine Commune
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam gestrekt, fors, op doorsnede haast rond. Lengte meestal 30-40 cm, zelden tot 70 cm. Grote kop met stompe snuit en eindstandige bek, mondspleet diep, vrijwel tot het oog reikend. Schubben groot, donkergerand, daardoor een nettekening teweegbrengend. Buitenrand van de (uitgespreide) aarsvin uitgebogen (convex). Rugzijde grijsbruin tot olijfbruin, flanken licht bruinof geelachtig, buik wit. Buikvinnen en aarsvin roodachtig.
44-46 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 11-12, aarsvin 10-12, borstvin 17-18, buikvin 10, staartvin 19.
|
kopvoorn
|
Leefwijze en leefomgeving
De Kopvoorn is een robuuste vissoort, ofschoon hij stromende wateren uit het vlagzalmenen barbelengebied prefereert. kan men hem ook algemeen in de benedenlopen van rivieren vinden, en ook in stuwmeren. Andersom kan hij ook in het forellengebied doordringen (tot 1500 m hoogte). De jonge dieren leven in kleine scholen in open water, nabij het oppervlak, levend van plankton en insecten. Grotere Kopvoorns staan graag langs de oever, onder overhangende bomen en struiken, en wachten daar op insecten en andere kleine dieren die in het water vallen. Op latere leeftijd gaan ze steeds meer solitair leven, ze betrekken dan vaste woonplaatsen aan beschutte oevers, en verdedigen die ook tegen concurrenten. In kleine beken zoeken ze meestal rustiger water op dan de Beekforel, al komen ze ook vaak op dezelfde plaatsen voor. Volwassen Kopvoorns eten vooral kleine visjes, maar ook kikkers en zelfs kleine zoogdieren. In de paaitijd, van april tot juni, krijgen de mannetjes een fijnkorrelige paringsuitslag. De eieren worden op stenen of aan waterplanten afgezet, een vrouwtje kan tot 200000 eieren produceren.
De Kopvoorn is in Nederland vrij zeldzaam geworden, maar in Duitse rivieren komt hij nog veel voor. Al wordt hij als consumptievis niet erg gewaardeerd, toch vist men er graag op, hij wordt als 'intelligente' vis gezien, die snel van slechte ervaringen leert, en juist de begeerde kanjers zijn maar moeilijk aan de haak te krijgen. Ze bijten pas na grondige bestudering van het aas, en keuren dat vaak af. In forelbeken worden ze meestal als ongewenst beschouwd, omdat ze forelbroed (dus ook pootvis) eten, ze worden dan ook met grote inspanning gericht weggevangen. Maar uiteraard kan de Kopvoorn alleen blijvende schade aan de forellenstand aanrichten als de omgeving voor forellen toch al weinig geschikt is, zoals in rechtgetrokken beken en kanalen zonder dekking, anders was de forel al wel uitgestorven voor de mens hem begon te beschermen. Ook hier mag men zich weer afvragen of alle geld en moeite die men zich voor zulke beheersmaatregelen getroost, niet beter kan worden besteed aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Daarmee helpt men immers niet alleen de forellen, maar de hele levensgemeenschap.
|
Knelpunten
De kopvoorn heeft, net als de barbeel en de sneep, afwisseling nodig in de rivier, dus grind- en zandbanken en ondiepe beschutte plaatsen met oevervegetatie en onderwaterplanten. Door kanalisatie, vermesting en chemische vervuiling van de grote rivieren verdween dit habitat. Het zuurstofgehalte van het water mag niet te veel dalen.
|
|
|
|
|