|
|
De Kolblei
de kolblei
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Kolblei
|
|
Wetenschappelijk :
|
Blicca bjoerkna
|
|
Engels :
|
White Bream
|
|
Duits :
|
Güster, Blicke
|
|
Frans :
|
Brème Bordelière
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam zijdelings sterk samengedrukt, hoogruggig. Lengte meestal 20-30 cm, maximaal 36 cm. Kop relatief klein, ogen vrij ver naar voren geplaatst (afstand tussen snuitpunt en voorrand van het oog hoogstens zo lang als de oogdiameter zelf). Mondspleet eindstandig of iets onderstandig, de bek kan niet slurfvormig worden uitgestulpt. Schubben groot. Aarsvin lang, borstvinnen kort, aangelegd niet tot de basis van de buikvinnen reikend. Rugzijde donker, flanken en buik lichtgekleurd met zilverglans. Vinnen grijs, de basis en de aanzet van de borsten buikvinnen meestal roodachtig.
44-50 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 11, aarsvin 22-26, borstvin 15-16, buikvin 10, staartvin 19.
|
Leefwijze en leefomgeving
De Kolblei leeft in traag stromende of stilstaande, bij voorkeur sterk begroeide wateren, vooral langs oevers of in oude rivierarmen in het benedenstroomgebied van rivieren (het brasemgebied), hij dringt zelfs in brak water door, in estuaria. In meren verwijdert hij zich zelden ver van de begroeide oeverzone. Meestal blijft hij dicht bij de bodem (vaak in gemengde scholen, met Brasems). De niet-uitstulpbare bek van de Kolblei wijst toch op verschillende eetgewoonten bij deze twee soorten, de Brasem neemt haast al zijn voedsel van de bodem, de Kolblei heeft een zeer breed voedingsspectrum met een preferentie voor zoöplankton en fytoplankton.
De Kolblei plant zich voort in mei en juni. Het mannetje krijgt in de paaitijd een zwakke, zeer fijnkorrelige paringsuitslag. De ei-afzetting vindt men met veel geplons en gespetter in groepen plaats, in ondiep water bij de oever. Als afzetsubstraat gebruikt hij graag dichte begroeiing, al kan hij ook zonder (anders dan de Brasem of de Blankvoorn). De jongen groeien niet snel, vaak zijn ze na 3 jaar nog maar 8-12 cm lang. Bij die lengte worden ze soms al wel geslachtsrijp.
In de afgelopen decennia zijn voor de Kolblei duidelijk meer levensmogelijkheden geschapen door de aanleg van stuwmeren. Aan de andere kant kan deze soort weer minder goed tegen watervervuiling dan de Brasem. Economische betekenis heeft de Kolblei alleen in Oost-Europa. Hengelaars kunnen hun geluk het beste met de grondhaak beproeven, de dieren zijn echter wantrouwig en nemen aas niet snel aan.
|
vergelijking tussen een kolblei (boven) en een brasem (onder)
|
Verwarring met brasem
De brasem en de kolblei worden vaak door elkaar gehaald.De kolblei is te herkennen aan de rode basis van de borstvinnen. Bij heel jonge exemplaren is dat kenmerk nog niet bruikbaar.
Bij de Brasem (Abramis brama) is de afstand tussen snuitpunt en oog groter dan de oogdiameter, ook heeft die soort langere borstvinnen (meestal de buikvinaanzet bereikend).
Als laatste kun je de schubben tussen rugvin en zijlijn te tellen. Kolblei heeft daar 9 tot 10 schubben, Brasem 11 tot 13.
|
|
|
|
|