www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Karper


een wilde karper een wilde karper
Andere namen
 
Nederlands : Karper
Wetenschappelijk : Cyprinus carpio
Engels : Carp
Duits : Karpfen
Frans : Carpe

Uiterlijke kenmerken

Lichaam bij de wilde vorm langgestrekt, niet hoogruggig, zijdelings weinig samengedrukt. Lengte meestal 30-70 cm, maximaal 1,2 m. Kop kegelvormig, ogen klein. Mondspleet eindstandig, met 2 paar baarddraden opzij van de bovenlip (het voorste paar korter), de bek kan slurfvormig worden uitgestulpt. Schubben zeer groot, zijlijn volledig ontwikkeld. Rugvin zeer lang, de zoom uits uitgehold, aarsvin kort, staartvin met duidelijke uitbochting. Rugzijde bruinachtig-groen, flanken lichter, de buik witachtig. Vinnen donkergrijs, vaak met blauwachtige weerschijn, gepaarde vinnen soms iets roodachtig. 3

30-40 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 20-28, aarsvin 8-9, borstvin 16-17, buikvin 10-11, staartvin 19.

Kweekvormen zijn korter, met een zeer hoge rug en een relatief grote kop, de schubben zijn vaak gereduceerd tot ontbrekend, of juist erg groot en onregelmatig verdeeld.



spiegelkarper spiegelkarper
Leefwijze en leefomgeving

De wilde vorm van de Karper komt voor in de gebieden rond de Kaspische Zee en de Zwarte Zee (Donau), de westgrens van het natuurlijke areaal ligt momenteel waarschijnlijk bij de Hongaars-Oostenrijkse grens. Deze thermofiele soort kwam blijkens fossiele vondsten ca. 8000 jaar geleden ook in de bovenloop van de Donau voor, de areaaigrens kan dus blijkbaar verschuiven als het klimaat verandert. Kweekvormen van de Karper vindt men sinds de Romeinse tijd ook in koelere delen van Europa. Daar wordt hij gekweekt in ondiepe, kunstmatige vijvers, omdat in natuurlijke wateren de temperatuur die voor de voortplanting nodig is zelden bereikt wordt.

Wilde karpers leven gezellig in groepen, en voelen zich zowel in stilstaand als vrij sterk stromend water thuis. Ze hebben een weke bodem nodig, die ze met hun uitstulpbare bek doorwoelen bij het zoeken naar kleine bodemdiertjes (vooral insectenlarven). Overdag rusten ze meestal in diepere waterlagen, pas als de schemering invalt worden ze actief. In de natuur planten ze zich voort in overstroomde uiterwaarden. In de paaitijd (mei tot juli) trekken ze daar vanuit de rivieren naartoe, ze zetten de eieren bij voorkeur af in zeer ondiep water (tot 40 cm) boven gras. In dit opzicht lijken ze op de Snoek, en evenals die soort verliezen ze tijdens het afzetten iedere schuwheid. Maar bij de Snoek paart een vrouwtje meestal slechts met twee of drie mannetjes, bij de Karper heeft een vrouwtje vaak wel 15 mannetjes om zich heen. Wel duurt het afzetten bij beide soorten verscheidene dagen, waarbij de dieren zich gedurig verplaatsen. De eieren komen al na 3-5 dagen uit. Jonge Karpers eten eerst plankton, maar als ze ca. 2 cm lang zijn gaan ze voedsel op de bodem zoeken. Karpers kunnen zeker 50 jaar oud worden, vaak worden nog hogere leeftijden vermeld, maar daarvoor ontbreken bewijzen. In de Zwarte Zee en de Kaspische Zee leven anandrome brakwatervormen, die in de paaitijd de rivieren optrekken om zich in de overstromingsgebieden langs de benedenloop voort te planten.

rijenkarper rijenkarper

De populaties van de wilde Karper in Centraal-Europa kunnen zich nauwelijks langs natuurlijke weg in stand houden, wegens het ongunstige klimaat en door waterbouwkundige ingrepen (bedijking van rivieren). In de Beneden-Donau lukt dat nog wel, maar in Centraalen Noord-Europa zijn alle Karpers waarschijnlijk oorspronkelijk uitgezet. Daarbij is in feite sprake van een extensieve vorm van vijvercultuur, louter voor commerciële doeleinden. De dieren worden kunstmatig vermeerderd, men laat ze in de vrije natuur opgroeien en kunnen ten slotte door hengelaars worden gevangen. Er is dus geen sprake van natuurbescherming of het instandhouden van de soort, temeer niet omdat men haast altijd de hoogruggige kweekvormen van de Karper gebruikt.

Al in de Romeinse tijd werden gedomesticeerde Karpers in vijvers gehouden. Thans bestaan talrijke kweekvormen, die een duidelijk hogere rug hebben dan de wilde vorm, al hebben ze de massieve bouw van het grondtype behouden. Deze kweekvormen groeien sneller dan de wilde vorm. Sommige rassen hebben nog de normale beschubbing ('schubkarper'), bij andere is de beschubbing gereduceerd ('spiegelkarper', met weinig, onregelmatig verdeelde schubben, 'rijenkarper', met grote schubben alleen op de zijlijn of op de rug) of geheel verdwenen ('lederkarper'). Karpers doorstaan de Midden-Europese winters meestal zonder problemen, maar hun stofwisseling is in wezen toch slecht aangepast aan ons klimaat. De dieren houden geen echte winterslaap, ze verbruiken dus veel energie. Bij temperaturen onder 4 °C komen ze in de problemen, ze vervallen dan in een ongecontroleerde verstijving en gaan drijven, zodat ze ingevroren kunnen raken. Karpers worden tegenwoordig overal ter wereld in viskwekerijen gehouden. Vooral in Noord-Amerika en Australië hebben ze zich in natuurlijke wateren uitgebreid, en daar brengen ze grote schade toe aan de inheemse visfauna, plaatselijk hebben ze zich tot een plaag ontwikkeld.

een gevangen lederkarper, deze heeft over het hele lichaam vrijwel geen schubben een gevangen lederkarper, deze heeft over het hele lichaam vrijwel geen schubben
Ecologische waarde

De karper is net als de brasem een vis die de bodem omwoelt, dit noemt men azen. Vooral in de vroege ochtend direct na zonsopgang kan men dit waarnemen. De vis staat dan vaak rechtop in het water en door het gewoel in de bodem ziet men afhankelijk van de soort bodem trossen kleine dan wel grotere belletjes opstijgen naar de oppervlakte. In ondiep water kan men soms aan de staartvin zien om wat voor vis het gaat. De karper doet dit als hij op zoek is naar eten, voornamelijk planten en waterinsecten. De karper is geen roofvis. In tegenstelling tot de brasem aast karper ook in de ondiepe sterk begroeide gedeeltes van het water en dicht tegen de oever.

Door deze manier van azen worden met name fosfaten in de bodem weer teruggevoerd naar de waterkolom. Bij een voedselrijke bodem en een flinke populatie karper leidt dit tot een voorspoedige groei van de zwevende algen (phytoplankton). Samen met de omgewoelde bodempartikes leidt dit tot het troebel worden van het water en een afname van de onderwaterflora.

Recent genetisch onderzoek heeft aangetoond dat de boerenkarper (zie link vijvervisinfo) een wilde karpersoort is die genetisch sterk gelijkt op de karpers van de Donau, maar ook enkele unieke kenmerken heeft. Het verhaal over de invoering door monniken is gebaseerd op historisch onderzoek (vermeldingen op schrift van de karper als consumptievis). Ook meerval heeft hier in de Haarlemmermeer een wilde populatie en recentelijk is ook de witvingrondel (Neogobio belingii) ontdekt als een wilde soort in het Rijnstroomgebied. Onze karpers komen in ieder geval niet uit China, want daar wordt een andere soort, Cyprinus rubrofuscus met een afwijkend aantal schubben langs de zijlijn gevonden.

Tegenwoordig wordt de karper regelmatig uitgezet ten behoeve van de sportvisserij. Uitzetten blijkt veelal noodzakelijk omdat de omstandigheden (temperatuur, roofvissen, beroepsvisserij) van het Nederlandse water niet optimaal zijn voor voortplanting. Karpervissen is sinds begin jaren negentig erg populair geworden vanwege de kracht en omvang (gewicht) van de dieren. Na alle uitzettingen en voortplantingen komt de karper in het grootste deel van Noord- en Midden-Europa voor. Na 1870 werd de vis naar de VS overgebracht, waar hij nu algemeen voorkomt.

een groep koi karpers een groep koi karpers
De karper als siervis

Meestal wordt de term Koi(-karper) gebruikt voor de gekweekte fel gekleurde variant die als siervis in vijvers wordt gehouden. Deze vissen worden, afhankelijk van de kleur en de tekening, soms voor grote bedragen verkocht. Met name in Japan is het houden en kweken van Koikarpers als populaire bezigheid ontstaan. Ondertussen zijn er Europese en Israëlische varianten die respectievelijk EuroKoi en Israëlische Koi worden genoemd. Enkel in Japan zelf betekent het Japanse woord Koi (karper) de "consumptievis-karper", terwijl Nishikigoi verwijst naar de sierkarper.


  
Terug naar home