www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Houting


de houting de houting
Andere namen
 
Nederlands : Houting
Wetenschappelijk : Coregonus oxyrinchus
Engels : Houting
Duits : Schnäpel
Frans : Bondelle

Uiterlijke kenmerken

Lengte van 40-60 cm, afhankelijk van de lokale vorm. Lichaam slank tot hoogruggig en zijdelings samengedrukt. Kop klein, met boven-tot onderstandige bek, de mondspleet reikt meestal niet voorbij de achterrand van het oog. Kaken vrijwel zonder tanden. Een vooruitstekende snuitpunt. Oogpupil aan de voorzijde iets toegespitst. Schubben groter dan bij de Salmoniden, meestal zilverig glanzend en in opvallende overlangse rijen geplaatst. Rugzijde donkerder van kleur, nergens zijn vlekken te zien. Vetvin aanwezig, staartvin meestal diep uitgerand, rugvin relatief kort en hoog.

Minder dan 120 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 12-16, aarsvin 12-16, borstvin .5-18, buikvin 10-13.



jonge houting leeft zoals veel andere vissen in grote scholen jonge houting leeft zoals veel andere vissen in grote scholen
Leefwijze en leefomgeving

Het areaal reikt van Alaska via Siberië, Noord-Rusland en het Oostzeegebied tot de Britse eilanden, geïsoleerde populaties komen voor in meren in de Alpen en Vooralpen. De anadrome vormen kunnen 50 cm lang worden, maar de Alpenvormen halen hooguit 30 cm. De lichaamsvorm is even variabel als bij de Grote marene, en ook hier hebben de anadrome vormen een verlengde neus. Op de eerste kieuwboog zitten gemiddeld 40 lange kieuwzeefaanhangsels.

Naast de stationaire vorm uit het stroomgebied van de Oder hoort hier ook de anadrome vorm thuis, die vroeger in grote aantallen langs de kusten van de zuidelijke Noordzee voorkwam en ver de Rijn en de Elbe optrok om te paaien. Door de aanleg van stuwen en door watervervuiling is deze vorm vrijwel uitgestorven, zelfs al schijnt hij beter dan andere marenes bestand te zijn tegen hogere temperaturen en een laag zuurstofgehalte. Ook de 'Gangfische' van de Vooralpenmeren behoren waarschijnlijk tot deze soort. In het Bodenmeer leeft hij ongeveer net zo als de Grote marene, al prefereert hij ondiepere delen van het meer, er zijn ook verschillen in de paaiplaatsen en de paaitijd.

Oorzaken van het uitsterven

De (echte) houting waarop in het begin deze eeuw op werd gevist, paaide niet in Nederland, maar hoger stroomopwaarts in de meren in het Alpengebied. Door de verstuwing van de rivieren en vooral door de afsluiting van de toegangen tot de Alpenmeren is deze populatie uitgestorven. De slechte waterkwaliteit in het mondingsgebied van de rivieren speelde ook een negatieve rol. Mogelijk bestond er voor de droogmaking (in 1853) een paaiende populatie in de Haarlemmermeer).

De kans op hervestiging van een levensvatbare populatie in onze rivieren is klein. Voor het afzetten van eieren en de succesvolle groei van jonge vis is een speciale habitat vereist. De marenen paaiden in diepe, schone bergmeren met helder, voedselarm water. Verder hebben zij een onbelemmerde doorgang van zout naar zoet water nodig.


  
Terug naar home