|
|
De Graskarper
de graskarper
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Graskarper
|
|
Wetenschappelijk :
|
Ctenopharyngodon idellia
|
|
Engels :
|
Grass Carp
|
|
Duits :
|
Graskarpfen
|
|
Frans :
|
Amour Blanc
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam langgestrekt, zijdelings weinig samengedrukt. Lengte tot 1,2 m. Kop fors, maar niet lang, mondspleet breed en iets onderstandig. Geen baarddraden. Schubben groot, zijlijn volledig. Rugen aarsvin kort, met afgeronde rand, staartvin met duidelijke uitbochting. Rugzijde bruinachtig-groen, flanken lichter groenof blauwachtig, glanzend, buik wit, nettekening over de hele romp, door de donkere achterranden van de schubben. Vinnen donkergrijs.
42-45 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 10, aarsvin 10-11, borstvin 21, buikvin 10.
|
aquariumopname van een jonge graskarper
|
Leefwijze en leefomgeving
De Graskarper is helemaal niet nauw verwant met de Karper, in weerwil van zijn inmiddels goed ingeburgerde naam. Hij behoort tot de groep voornachtigen rond het geslacht Leuciscus, dat geldt overigens ook voor de hieronder nog te noemen 'Verwante soorten'.
De Graskarper is een voedselspecialist, die uitsluitend van plantenkost leeft. Hij eet niet alleen algen en zachte waterplanten, maar ook harde plantendelen, met zijn mesvornnige, gezaagde keeltanden kan hij die fijnkauwen, en het darmkanaal is aangepast om ze te verteren. In vijvers kunnen Graskarpers zelfs met gras gevoederd worden (naam!). Toch kunnen ze zulke zware kost maar gedeeltelijk verteren, daarom moet elke dag tot 120 procent van het lichaamsgewicht aan gras door de darm van het dier passeren.
De Graskarper stamt uit Oost-Azië. Zijn oorspronkelijke areaal is ook daar niet meer precies vast te stellen, want hij wordt al ongeveer 1000 jaar voor consumptie in vijvers gekweekt en is dus ook overal heengebracht. Waarschijnlijk leefde hij van nature in de grote rivieren van Zuid-China, daar komt hij ook nu nog voor. Van hun 'weidegronden' in de benedenlopen trekken ze in de paaitijd stroomopwaarts naar snelstromende rivierdelen met grindbodem. De afgezette eieren zwellen sterk op, gaan drijven en worden met de stroom meegevoerd, ze komen al na 1-2 dagen uit. De jongen leven eerst nog van dierlijk plankton, maar als ze 3 cm lang zijn beginnen ze ook plantenkost te eten, en bij een lengte van 10 cm zijn ze volledig vegetarisch. Gepaaid wordt bij temperaturen boven 20 °C (bij voorkeur 22-29 °C). In de warme wateren van China groeit deze soort ook snel, en de dieren worden al na 3-4 jaar geslachtsrijp.
Omdat ze grove plantenkost aankunnen, heeft men in de jaren zestig in allerlei gebieden (ook in Europa) geprobeerd ze uit te zetten, soms voor de visproductie, vaak ook om wateren onkruidvrij te houden (zo ook bij ons). In Europa bleek de visproductie niet rendabel, wegens de trage groei bij de hier heersende temperaturen. Als onkruidbestrijder was de Graskarper wel een groot succes. Hij komt zonder problemen de winter door, echter, het water wordt in onze streken niet warm genoeg om natuurlijke voortplanting mogelijk te maken. In de eerste, euforische jaren, toen men Graskarpers uitzette in alle mogelijke kunstmatige en natuurlijke wateren, zagen de viskwekers twee dingetjes over het hoofd. Eerstens neemt de voedselbehoefte van deze langlevende dieren toe met hun afmeting, tweedens zijn ze moeilijk weer uit het water te verwijderen, of men moest ze geheel droogleggen, ze eten immers alleen planten en nemen geen aas op een haak aan. Er werd dus veel meer onkruid verdelgd dan iedereen lief was, en op veel plaatsen ontstonden onderwaterwoestijnen, gespeend van iedere plantengroei. Thans wordt het uitzetten van Graskarpers in natuurlijke wateren als grove kunstfout gezien, maar in gesloten vijvers waar de soort niet uit kan ontsnappen bewijst hij nog steeds goede diensten, mits de dichtheid laag wordt gehouden. Voor tuinvijvers worden de dieren veel te groot. Mensen met een grote vijver zullen zeker meer plezier beleven aan de inheemse, eveneens herbivore Ruisvoorn iScardinius erythrophthaimus).
In de zuidelijke VS, waar de Graskarper zich wel spontaan kan voortplanten, werd hij een regelrechte plaag, met funeste gevolgen voor de inheemse flora en fauna. In de meeste staten aldaar is het uitzetten ervan nu verboden. Ook in Nederland is beperkende wetgeving van kracht.
|
natuuropname van een graskarper
|
Ecologische betekenis
Deze vis heeft hoge watertemperaturen nodig om tot voortplanting te komen. Alle graskarpers in Nederland zijn dus uitgezet.
Graskarper moet vanwege zijn speciale functie altijd levend en onbeschadigd in het zelfde water worden teruggezet. Deze vissoort wordt uitgezet om de plantengroei in het water in bedwang te houden. In Nederland mag het uitzetten van graskarper overigens uitsluitend met toestemming van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gebeuren.
|
|
|
|
|