www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Gestippelde alver


de gestippelde alver de gestippelde alver
Andere namen
 
Nederlands : Gestippelde alver
Wetenschappelijk : Alburnus bipunctatus
Engels : Schneider
Duits : Schneider
Frans : Spirlin

Uiterlijke kenmerken

Lichaam zijdelings samengedrukt, iets hoogruggig. Lengte meestal 10-12 cm, maximaal 16 cm. Mondspleet eindstandig. Schubben middelgroot. Aarsvin lang, pas achter de achterrand van de rugvin beginnend. Rugzijde bruinolijf met metaalglans, flanken zilverig met donkere, soms onduidelijke overlangse band boven de zijlijn, buik zilverig glanzend. Zijlijn sterk omlaaggebogen, soms geknikt, aan bovenen onderrand opvallend zwart afgezoomd, deze zoom regelmatig onderbroken door de zilverige achterranden van de schubben en daardoor aan een stiknaad herinnerend (vandaar de Duitse naam Schneider = kleermaker). Vinnen grijs tot geelachtig, de aanzet van de borst, buiken aarsvin meestal krachtig geel of oranje.

44-54 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 10-11, aarsvin 18-20, borstvin 15, buikvin 9-10, staartvin 19.



Het enige tastbare bewijs voor het voorkomen van de gestippelde alver in Nederland was een museumexemplaar dat in 1931 in de Maas bij Roermond is gevangen Het enige tastbare bewijs voor het voorkomen van de gestippelde alver in Nederland was een museumexemplaar dat in 1931 in de Maas bij Roermond is gevangen
Leefwijze en leefomgeving

De Gestippelde alver prefereert stromende wateren (anders dan de gewone Alver), maar hij komt ook in meren voor. Men vindt hem het meest in kleinere rivieren en beken, en daar staat hij dan vaak in kleine schooltjes in de sterkst stromende delen. Hij kan beter tegen hoge temperaturen dan de Beekforel en de Vlagzalm, maar hij stelt wel hoge eisen aan de waterkwaliteit en het zuurstofgehalte. Typische biotopen zijn kleine beken met sterke stroming, een harde bodem en 's zomers vrij hoge temperaturen, daar leeft hij vaak samen met Riviergrondels en Bermpjes. Hij eet ongewervelde bodemdiertjes (vooral muggenlarven), maar ook plankton en aanvliegende insecten. Hij paait tussen mei en juni op ondiepe (vaak tijdelijk overstroomde) plaatsen met een bodem van zand of fijn grind.

In de stroomgebieden van Rijn en Elbe was de Gestippelde alver waarschijnlijk altijd al zeldzaam. In de Donau was hij vroeger heel algemeen, maar ook daar behoort hij nu tot de rariteiten. Daaraan is ongetwijfeld vooral de watervervuiling schuld, maar ook de verslibbing van de paaiplaatsen speelt een rol, en het uitzetten van Regenboogforellen in haast alle daarvoor in aanmerking komende beken. In het belang van de soort moet vooral worden gestreefd naar het behoud van natuurlijke beeken rivierlopen in het vlagzalmengebied.

Economische betekenis heeft dit zeldzame, kleine visje niet.

Status in Nederland

Redeke (1941) noemde enkele bronnen uit de negentiende eeuw waaruit zou blijken dat de gestippelde alver voorkwam in de IJssel, de Maas en de Kromme/Oude Rijn.H.C. Redeke sloot niet uit dat deze vis toen algemener was, maar twijfelde ook aan de betrouwbaarheid van de waarnemingen. Marquet (1966) schreef dat de gestippelde alver in de jaren twintig nog voorkwam in de Jeker. Het enige tastbare bewijs voor het voorkomen van de gestippelde alver in Nederland was een museumexemplaar dat in 1931 in de Maas bij Roermond is gevangen. Ruting (1958) vermeldde de gestippelde alver als ‘vrijwel zeker niet in Nederland’. Toch is de vissoort in 1973 opgenomen in de Natuurbeschermingswet (binnenkort opgaand in de nieuwe Flora- en Faunawet) in de hoop op een terugkeer in Zuid-Limburgse beken. Deze hoop werd bevestigd in september 1995. Toen werd na 64 jaar opnieuw in Nederland een volwassen gestippelde alver gevangen in de Maasmonding van de Geul. Mogelijk gaat het hier om een populatie die zichzelf in stand kan houden.



  
Terug naar home