|
|
De Bronforel
de bronforel
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Bronforel
|
|
Wetenschappelijk :
|
Salvelinus fontinalis
|
|
Engels :
|
Brook Trout
|
|
Duits :
|
Bachsaibling
|
|
Frans :
|
Saumon de Fontaine
|
Uiterlijke kenmerken
Lengte meestal 30-40 cm, maximaal 50 cm. Lichaam langgestrekt, van voren duidelijk toegespitst. Grote kop met zeer diepe mondspleet (het oog zit juist achter het midden van de bovenkaak). Staartsteel slank, staartvin duidelijk uitgerand. Vetvin aanwezig. Schubben zeer klein. Rugzijde donker bruingroen (grondkleur), buikwitachtig tot krachtig rood. Talrijke gele vlekken, die op de rugen staartvin tot een marmertekening samenvloeien, op de flank vaak ook blauwe vlekken. Voorrand van borstvinnen, buikvinnen en aarsvin wit, bij mannetjes in de paartijd ook nog afgezet met een zwart lijntje.
160-225 schubben op de zijlijn. Vinstralen: 12-13, aarsvin 12-14, borstvinnen 11-13, buikvinnen 8. Ploegschaarbeen vooraan met tanden.
|
een bronforel in zijn natuurlijke omgeving
|
Leefwijze en leefomgeving
Bronforellen werden omstreeks 1880 in Europa ingevoerd, ongeveer gelijktijdig met de Regenboogforel. Ze stammen uit het noordoosten van Noord-Amerika, waar ze inheems zijn in Labrador en het gebied rond de Hudson Baai, inmiddels zijn ze door uitzetting ook in stromende wateren in de Rocky Mountains te vinden. In hun vaderland bewonen ze heldere, koude beken, in het noorden ook de benedenloop van rivieren. Soms komen ze daar zelfs in zeewater voor, waar ze zilverwitte flanken krijgen, ongeveer zoals de blanke zalmen in Europa.
In ons werelddeel werden Bronforellen eerst in koude, stromende wateren uitgezet, waar de Beekforellen uit verdwenen waren. Beide soorten stellen ongeveer dezelfde eisen aan de waterkwaliteit en de temperatuur. al schijnen Bronforellen iets beter overweg te kunnen met een laag zuurstofgehalte en een lage zuurgraad, maar de Beekforel heeft meer behoefte aan schuilplaatsen en overhangende oevers, die in onze gereguleerde beken nauwelijks meer te vinden zijn. Vaak ziet men Bronforellen zelfs in het open water van kleinere stuwmeren of koude bergmeren, en dan niet zelden in kleine scholen bijeen. In Duitsland zijn bijna alle dieren ooit als pootvis uitgezet, slechts op weinig plaatsen schijnt natuurlijke vermeerdering plaats te vinden. Het is wel zaak de Bronforel verre te houden van nog goede Beekforelwateren, beide soorten concurreren immers om vergelijkbare biotopen, en dan moet men altijd de voorkeur geven aan de inheemse soort.
|
jonge bronforel
|
Bronforellen paaien van oktober tot maart, ze stellen ongeveer dezelfde eisen aan de paaiplaats als de Beekforel (sterke stroming). Ze eten insectenlarven en andere ongewervelden van de beekbodem, maar ook insecten die op het water vallen, grotere exemplaren eten ook visjes. De mannetjes worden na 2 jaar geslachtsrijp, de vrouwtjes na 3 jaar. In viskwekerijen worden nu en dan Beekforellen met Bronforellen gekruist. Het resultaat heet 'tijgerforel', de hybriden zijn steriel. Ook in de vrije natuur zijn zulke bastaarden wel eens waargenomen. De zogeheten 'Elzasser zalmforellen' zijn kunstmatige kruisingen tussen Beekforel en Beekridder. Bronforellen kunnen zowel met de vlieg als met de spinner gevangen worden, ze leveren meestal minder strijd aan de haak dan de Beekforel of de Regenboogforel.
|
De bronforel in Nederland
Uitgezette exemplaren komen voor in de Geul en Maas. De bronforel kan zich in Nederland niet voortplanten.
|
|
|
|
|