|
|
De Brasem
de brasem
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Brasem
|
|
Wetenschappelijk :
|
Abramis brama
|
|
Engels :
|
Bream
|
|
Duits :
|
Brachsen, Blei
|
|
Frans :
|
Brème Commune
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam zijdelings sterk samengedrukt, met hoge rug. Lengte meestal 25-40 cm, maximaal 90 cm (bij een gewicht van 10 kg). Kop relatief klein, snuit iets verlengd en afgerond (afstand tussen snuitpunt en voorrand van het oog duidelijk groter dan oogdiameter). Bek eindstandig of iets onderstandig, slurfvormig uitstulpbaar. Schubben groot. Aarsvin lang, borstvinnen lang, aangelegd meestal de basis van de buikvinnen bereikend. Rugzijde donkergrijs, bij oude dieren met groene of goudkleurige weerschijn, flanken lichter en glanzend, buik wit. Vinnen donkergrijs, de borsten buikvinnen iets lichter, maar niet roodachtig
50-57 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 12, aarsvin 26-31, borstvin 16, buikvin 10, staartvin 19.
|
Leefwijze en leefomgeving
De Brasem is in ons deel van Europa een van de algemeenste vissoorten. De trage laaglandrivieren waar hij woont, tot aan de monding toe, worden zelfs naar hem het 'brasemgebied' genoemd. Hij leeft echter ook in meren en plassen, vooral in ondiepe, eutrofe wateren die 's zomers sterk worden opgewarmd. In de Oostzee, de Zwarte Zee en de Kaspische Zee vindt men hem ook in brak water. Brasems leven in kleine groepjes, in de biologisch meest productieve litorale zone of althans daar in de buurt, ze woelen er de bodem om, op zoek naar iets eetbaars. Met hun uitstulpbare bek kunnen ze wel 10 cm diep in het bodemslik dringen, en ze laten daarbij kenmerkende, trechtervormige gaten in achter. Ze eten vrijwel uitsluitend kleine bodemdiertjes, vooral larven van steekmuggen en dansmuggen, maar ook kleine schelpdieren en kreeftachtigen. In wateren met een verarmde bodemfauna (bijv. in sterk vervuilde meren met rottend bodemslik) kunnen ze zich ook met plankton in leven houden, maar daar groeien ze niet goed, men ziet dan kommervormen met een lage rug en grote ogen. Jonge Brasems komen overdag ook in ondiep water voor, maar de veel schuwere volwassen dieren trekken zich in dieper water terug en komen alleen 's nachts aan het oppervlak. Alleen in sterk begroeide, ondiepe plassen wagen ze zich ver van de oever in open water.
|
een mannetje met paaiuitslag
|
Brasems paaien tussen mei en juli in grote groepen, in dichte vegetatie langs de oever, de eieren zijn ongeveer 1,5 mm groot en kleven aan de planten. De mannetjes krijgen in het hele lichaam, behalve de rugvin. Terwijl veel andere vissen (bijv. Alvers of Karpers) tijdens het paaien alle schuwheid afleggen, blijven Brasems ook tijdens de ei-afzetting voorzichtig, en bij gevaar slaan ze dadelijk op de vlucht. Trektochten maken ze niet, alleen de brakwaterbewoners trekken naar de rivieren. In de hoge rug en het afgeplatte lichaam mag men een aanpassing zien aan de predatie door roofvissen en visetende vogels.
Bij alle roofdieren die hun prooi in zijn geheel moeten doorslikken is de diameter daarvan de beperkende factor. Een even grote Kopvoorn heeft veel meer potentiële vijanden dan een Brasem, omdat hij door zijn lichaamsvorm veel gemakkelijker kan worden ingezwolgen. Dit kennelijke voordeel heeft ook zijn prijs: hoogruggige vissen kunnen niet in snelstromend water leven. Daar zouden ze te veel energie verbruiken, want de waterweerstand (ook bij het zwemmen met de stroom mee) hangt af van de oppervlakte van de vis. In snelstromende wateren zijn vissen met een spoelvormig, rolrond lichaam dus in het voordeel. In kleine plassen of vijvers met te weinig roofvijanden ontwikkelt de Brasem zich vaak in kommervormen, de dieren groeien dan langzaam, blijven klein en planten zich ook al bij geringe afmetingen voort. Men ziet dat ook bij enkele andere vissoorten (bijv. de Baars), en het is een aanpassing aan de omstandigheden in kleine wateren. Sommige soorten (bijv. Snoek en Hondsvis) lossen hun 'overbevolkingsvraagstuk' op door kannibalisme of territoriumgevechten, waarna de overgebleven dieren zich normaal kunnen ontwikkelen. Maar veel andere soorten reageren op overbevolking door vertraagde groei en vroegtijdige geslachtsrijpheid. Een populatie van talrijke kleine dieren in een gesloten watertje is uiteraard veel minder kwetsbaar is voor verliezen door roofvijanden of door ziekte, dan een klein groepje normaal ontwikkelde dieren. De directe aanleiding voor het verschijnsel is nog onduidelijk: is het alleen voedselgebrek, of spelen ook andere factoren (zoals de dichtheid van de populatie) een rol? Wel staat vast dat men het ontstaan van zulke kommervormen alleen kan voorkomen door het bestand drastisch uit te dunnen, hetzij door wegvangen, hetzij door het uitzetten van roofvis. Ook vogels (zoals reigers en aalscholvers) kunnen een gunstige uitwerking op zulke visbestanden hebben. Het verschijnsel is niet erfelijk vastgelegd, dieren uit een populatie van kommervormen ontwikkelen zich verder normaal als men ze naar ander water overbrengt.
|
natuuropname van een brasem verstopt in de waterplanten
|
Verbraseming
Met het verdwijnen van de waterplanten is de snoekstand hard achteruit gegaan, omdat jonge snoeken zich niet meer kunnen verschuilen en ten prooi vallen aan grotere soortgenoten (kannibalisme).
Hierdoor treedt een enorm geboorte-overschot van voornamelijk jonge brasems op ('verbraseming'). Deze jonge brasems eten bovendien het dierlijk plankton op, dat zich met plantaardig plankton pleegt te voeden. Tot een grootte van ca 42 zijn de kieuwaanhangsels van de brasem fijn genoeg om Daphnia uit te filteren. Op 'verbrasemd' water lijkt dat ook een magische groottegrens te zijn. Grotere brasems moeten overschakelen op bodemvoedsel (muggelarven), dat niet in voldoende hoeveelheid aanwezig is om de de brasem nog verder te laten groeien. Ook andere karperachtigen (voorns) groeien slecht in deze wateren doordat de enorme aantallen vissen niet voldoende voedsel kunnen bemachtigen. Deze brasems worden wel schierbliek genoemd.
Hierdoor neemt de vertroebeling van onze binnenwateren nog meer toe. Grote brasems woelen bovendien - bij het zoeken naar voedsel - de bodem om, zodat naar de bodem gezakte fosfaten opnieuw in circulatie komen. In sommige binnenwateren heeft deze 'verbraseming' tot gevolg gehad, dat vissoorten als snoek, baars en rietvoorn verdwenen of zeer slecht groeien.
|
Oplossingen
Na een enorme toename in de randmeren van Flevoland, is de verbraseming tot stilstand gekomen door de commerciële visvangst op brasem en door de toename van waterplanten en met name de driehoeksmossel die voor een filtering van het water zorgde. Ook hebben maatregelen om de hoeveelheid meststoffen in het water terug te dringen een belangrijke rol gespeeld. Ook in Nederland is met uiteenlopende maatregelen geprobeerd de eutrofiëring een halt toe te roepen. Dit is goed gelukt door aanleg van zuiveringsinstallaties met defosfateringstrappen, maar diffuse lozingen zijn nog steeds een probleem.
|
|
|
|
|