www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Bot


de bot de bot
Andere namen
 
Nederlands : Bot
Wetenschappelijk : Platichthys flesus
Engels : Flounder
Duits : Plunder
Frans : Flet

Uiterlijke kenmerken

Lichaam extreem hoogruggig, haast schijfvormig. Lengte 20-30 cm, maximaal 50 cm. Kop klein en asymmetrisch, met korte, niet tot onder het oog reikende mondspleet, beide ogen naar de rechterzijde (soms de linkerzijde) gemigreerd, die daardoor als bovenzijde is gaan fungeren. Schubben klein, langs de rugen aarsvin en langs de zijlijn tot doornige wratten omgevormd, zijlijn volledig ontwikkeld. Rugvin extreem lang (van het oog tot de staartsteel) en ongedeeld, zonder stekelstralen, buikvinnen klein en borststandig, aarsvin zeer lang (van de staartsteel tot bij de borstvinnen doorlopend). De kleur kan aan de ondergrond worden aangepast, aan de 'ogenkant' is de vis meestal groenachtig tot roodbruin met grote, donkere of geelachtige vlekken, de 'blinde kant' is witachtig.

Vinstralen: rugvin 49-71, aarsvin 33-48, buikvin 7-13.15-22 kieuwzeefaanhangels.



jonge bot, door de camouflage is hij moeilijk te zien voor roofvissen jonge bot, door de camouflage is hij moeilijk te zien voor roofvissen
Leefwijze en leefomgeving

Anders dan bij de Tarbotfamilie (Bothidae) ligt bij de Scholachtigen [Pleuronectidae] normaliter de rechterkant boven. Deze eigenaardige, vooral in tropische zeeën zeer soortenrijke visgroep is verwant met de baarsachtigen, maar ontwikkelde zijn afwijkende uiterlijk al minstens 50 miljoen jaar geleden. Veel soorten leven in ondiep water en liggen overdag verborgen onder het zand, enkele vestigen zich tijdelijk in zoet water.

In gematigd Europa gaat alleen de Bot het zoete water in. De paaigronden bevinden zich in zee, waar de dieren van januari tot april hun eieren afzetten op een diepte van ca. 50 m. De eieren zijn slechts 1 mm groot en zweven als plankton vrij in het water, net als de larven die na ongeveer 1 week uit het ei komen. Het zweefvermogen van de eieren hangt af van het zoutgehalte van het zeewater, bij lage zoutgraad (zoals aan de oostrand van de Oostzee) zinken de eieren naar de bodem en sterven daar af. De jongen zien er aanvankelijk 'normaal' uit, maar als ze ca. 1 cm lang zijn begint een van beide ogen naar de andere kant van de kop te verhuizen, en de diertjes gaan dan op de bodem leven. Bij de Bot komt nogal eens de linkerzijde boven te liggen, in plaats van de rechterzijde, in elk geval vaker dan bij alle andere Scholachtigen. Plaatselijk vindt men tot 30 procent 'verkeerde' dieren.

Veel jonge Botjes trekken naar zoet water waar ze dan tot 4 jaar verblijven. Ze zijn overwegend 's nachts actief, leven gezellig bijeen en eten ongewervelde bodemdieren, in hoofdzaak weekdieren. Als ze geslachtsrijp worden, trekken ze naar zee, en als ze daar eenmaal hebben gepaaid keren ze blijkbaar niet weer naar de rivieren terug.

als de bot zich ingraaft in het zand kan je alleen de kop nog zien als de bot zich ingraaft in het zand kan je alleen de kop nog zien
Ecologische betekenis

Vroeger trok de Bot zeer ver de rivieren op (Elbe tot Magdeburg, Vistula tot Warszawa, ook in Main en Neckar), maar thans komen deze dieren zelden verder dan de benedenloop, vanwege alle hindernissen die in de rivieren gebouwd zijn, en ook door de watervervuiling. Voor de visserij is de Bot veel minder belangrijk dan de Schol (Pleuronectes platessa), behalve in de Oostzee, waar wegens het geringe zoutgehalte geen Schol voorkomt.

Met de nieuwe spuisluizen die in het IJsselmeer geplaatst gaan worden, zal het aantal botten in zoet water alleen nog maar toenemen.


  
Terug naar home