|
|
De Blauwneus
de blauwneus
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Blauwneus
|
|
Wetenschappelijk :
|
Vimba vimba
|
|
Engels :
|
Vimba
|
|
Duits :
|
Russnase, Zahrte
|
|
Frans :
|
Vimba, Serte
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam zijdelings samengedrukt, met tamelijk hoge rug. Lengte meestal 20-30 cm, maximaal 50 cm. Kop tamelijk lang, de snuit opvallend uitgetrokken, als een dopneus. Mondspleet onderstandig, in onderaanzicht hoefijzervormig. Schubben middelgroot, een rij gekielde schubben tussen rugvin en staartvin. Aarsvin tamelijk lang. Rugzijde donkergrijs tot blauwachtig, flanken met zilverglans, buik wit. Rugen staartvin loodgrijs, aarsvin en de gepaarde vinnen vaak roodachtig. In de paaitijd worden beide geslachten op de rugzijde (tot de zijlijn) glanzend zwart, de onderste vinnen en hun aanzet aan de romp zijn dan diep oranje (soms zelfs de hele buik).
53-61 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 11, aarsvin 20-25, borstvin 16, buikvin 11-12, staartvin 19.
|
hoofd van de blauwneus, de aparte snuit is duidelijk zichtbaar
|
Leefwijze en leefomgeving
De Blauwneus komt in zijn leefwijze overeen met de nauwverwante soorten van het geslacht Abramis, hij prefereert langzaam stromende benedenlopen van rivieren, al komt hij ook wel in meren voor, in de Oostzee, de Zwarte Zee en de Kaspische Zee dringt hij ook in brak water door. De Blauwneus houdt zich meestal in ondiep water bij de oever op, waar hij soms gemengde scholen vormt met Brasem en Kolblei. Hij zoekt er de bodem af naar iets eetbaars, het voedsel bestaat in hoofdzaak uit kleine ongewervelden. In de paaitijd (tussen mei en augustus) pronken de anders zo saaie dieren met een prachtig bruiloftskleed van zwart en oranje, mooier vindt men in Europa niet. Ze ondernemen trektochten tot in het barbelengebied, waar ze op ondiepe, zandige plaatsen nabij de oever paaien.
De Blauwneus was nooit erg algemeen in het Midden-Europese deel van zijn areaal, een duidelijke achteruitgang is alleen in het noordwesten vast te stellen. Hij is redelijk bestand tegen organische vervuiling en zuurstofgebrek, maar reageert wel heel gevoelig op industrieel afval en verzilting. In Oost-Europa heeft hij wel enige economische betekenis. maar in het westen nauwelijks, hij wordt soms gerookt in de handel gebracht.
|
|
|
|
|