www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Beekprik


de beekprik de beekprik
Andere namen
 
Nederlands : Beekprik
Wetenschappelijk : Lampetra planeri
Engels : Brook Lamprey
Duits : Bachneunauge
Frans : Chatouille, Petite Lamproie

Uiterlijke kenmerken

Lengte 10-15 cm, maximaal 19 cm. Rugzijde donkerblauw tot groenachtig, buikzijde licht van kleur, in de paartijd kleuren de mondstreek en (bij het vrouvrtje) ook de aarsstreek roodachtig. Rugvin bij geslachtsrijpe dieren niet onderbroken. De betanding van de mondschijf is ongeveer als bij de Rivierprik, maar de tanden zijn zwakker ontwikkeld en stomp.



mondschijf van de beekprik mondschijf van de beekprik
Leefwijze en leefomgeving

Hoewel Beeken Rivierprikken nauw met elkaar verwant zijn, verschillen beide soorten aanzienlijk in hun leefwijze. Terwijl de Rivierprik naar zee trekt en later weer terug, is de Beekprik een stationaire zoetwatervis die in beken en kleine riviertjes in het binnenland voorkomt en deze ook na de metamorfose niet verlaat. Bij de trekkende soorten nemen de dieren na de metamorfose alleen in zee voedsel tot zich. De Beekprik kent zo'n vraaten groeifase niet en hier blijft de voedselopname na de metamorfose dan ook helemaal achterwege de darm wordt al tijdens de metamorfose gereduceerd. Daardoor onderscheiden volwassen Beekprikken zich in grootte nauwelijks van het laatste larvenstadium, meestal zijn ze zelfs iets kleiner. Van de ca. 40 bekende soorten prikken leeft ongeveer de helft op deze wijze, niet-parasitair en permanent in zoet water. Het zijn in feite ecologisch gespecialiseerde vormen die nog dicht bij de grotere, anadrome, parasitair levende verwanten staan, men spreekt wel van 'satelliet-soorten'.

De ammocoeteslarve van de Beekprik leeft 3-5 jaar in de bodem van kleinere wateren, meestal verder stroomopwaarts dan de Rivierprik, ze voeden zich door micro-organismen uit te filteren. Als ze 15-20 cm lang zijn, voltrekt zich in de late zomer of de herfst hun metamorfose tot volwassen dieren. Deze kruipen in groepjes weg onder stenen e.d., en houden eerst een winterrust, voor ze tussen maart en juni paaien. De dieren zijn maar klein, en het legsel omvat dus ook niet meer dan 1500 eieren.

Stromend water en periodieke omwerking van het sediment zijn belangrijk voor de Beekprik, met het oog op zijn wijze van voedselvergaren, de soort komt dan ook alleen voor In natuurlijk gebleven, niet gereguleerde beken en riviertjes. Omdat die allengs schaarser worden, raakt de Beekprik ook steeds meer beperkt tot kleine, geïsoleerde deelvoorkomens binnen zijn areaal.

larven van de beekprik larven van de beekprik
Ecologische betekenis

De beekprik blijft zijn hele leven in dezelfde beekloop. Het dier leeft drie tot zes jaar als een blinde larve in de bodem, verandert dan tot volwassen prik, houdt op met foerageren en paait boven grind en stenen, stroomopwaarts in dezelfde beek. De beekprik is dus geen parasiet zoals de rivier- en de zeeprik.

Sinds het begin van de 20e eeuw gaat de beekprik geleidelijk achteruit. De beekprik komt nog voor in beken op de oostelijke Veluwe, in de Achterhoek, Limburg en vooral in oostelijk Noord-Brabant. Uit het beschikbare materiaal over de vindplaatsen van beekprikken sinds 1900, blijkt dat het aantal uurhokken met beekprikken tussen 1945 en 1980 met 64% is afgenomen. Het voorkomen in Noord-Nederland is twijfelachtig. Aantoonbaar ging de beekprik achteruit in midden Noord-Brabant en sommige delen van Limburg, de Achterhoek en in geheel Twente. Tussen 1980 en 1995 zijn er nog 35 uurhokken met vangsten van de beekprik.



  
Terug naar home