www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Barbeel


de barbeel de barbeel
Andere namen
 
Nederlands : Barbeel
Wetenschappelijk : Barbus barbus
Engels : Barbel
Duits : Barbe
Frans : Barbeau Fluviatile

Uiterlijke kenmerken

Lichaam slank en bijna rolrond, alleen de buik iets afgeplat en van opzij gezien vrijwel recht. Lengte meestal 30-50 cm, maximaal 90 cm. Kop afgeplat, met lang uitgetrokken snuit. Ogen tamelijk klein. Onderstandige bek met een paar baarddraden aan de mondhoek en een tweede paar (kortere) aan de bovenlip. Schubben middelgroot. Rugzijde meestal licht bruingrijs, buikzijde wit, soms roze. Geen donkere vlekjes op de flanken. Buikvinnen, aarsvin en onderhelft van staartvin iets roodachtig. De derde (langste) straal in de rugvin is verdikt, harder dan de rest en aan de achterrand gezaagd. 55-65 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 11-12, aarsvin 8, borstvin 16-18, buikvin 10, staartvin 19. Keeltanden in 3 rijen: 2.3.5-5.3.2.



jonge barbeel, de vlekken op het lichaam vormen een schutkleur jonge barbeel, de vlekken op het lichaam vormen een schutkleur
Leefwijze en leefomgeving

De onderfamilie der Barbelen (Barbinae) telt vooral in warme delen van Zuid-Azië veel soorten, bijna de helft van alle karperachtigen behoort ertoe. Typische kenmerken zijn de (meestal) in drie rijen geplaatste keeltanden en (vaak) een verharde straal in de rugvin. De meeste tropische soorten blijven klein en zijn heel populair als aquariumvis. Onze Barbeel is een van de grotere soorten uit deze onderfamilie, hij heeft een voor deze groep nogal ongebruikelijke lichaamsvorm en leefwijze. Barbeel, Barbus barbus. Jong dier. Barbelen hebben een voorkeur voor de al vrij brede, maar nog snelstromende middenlopen van rivieren. Omdat ze daar vaak de algemeenste vissoort zijn, spreken we bij dat riviersegment van 'het barbelengebied'. Ze hebben een rijk gestructureerde bedding nodig, met zowel kalmere waterdelen, waar ze vooral 's nachts de bodem naar voedsel afzoeken, alsook sterk stromende plaatsen met harde bodem, waarboven ze overdag in kleine groepen bijeenstaan. Omdat de zachtere sedimenten zich vaak verplaatsen, vooral bij hoge waterstanden, verblijven ook de Barbelen meestal niet lang op dezelfde plek. Meestal zwerven ze wat rond in kleine troepjes (vermoedelijk van wisselende samenstelling), steeds op zoek naar goede fourageerplekken, waarbij per dag wel een kilometer of tien kan worden afgelegd. Ze leven van allerlei kleine bodemdieren zoals insectenlarven (vooral haftenlarven), weekdieren en kleine kreeftjes, maar ook viskuit en nu en dan aas. Barbelen overwinteren in diepe, rustige, door de stroom uitgesleten kuilen in de bedding, in zulke winterkwartieren staan ze soms met honderden bijeen, lijf aan lijf.

In de paartijd, die vrij laat valt (van mei tot juli), trekken ze in grote scholen stroomopwaarts. Ze paaien in ondiep, sterk stromend water boven schone grindbanken, meestal in de hoofdstroom, minder vaak in kleine zijbeken. De paaiplaatsen liggen vaak bij de monding van zijriviertjes, waar de bodem rijk gestructureerd is. De mannetjes krijgen paringsuitslag, in de vorm van witte pukkeltjes in rijtjes op de kop en nek. Een enkel vrouwtje produceert tot ca. 10000 geelachtige eieren, die aan stenen of tussen het grind vastkleven. De eieren schijnen giftig te zijn en veroorzaken heftig braken, vermoedelijk zijn ze daardoor ook tot op zekere hoogte veilig voor broedrovers. Ze komen na 10-15 dagen uit. De jongen zijn aanvankelijk lichtschuw en leven in de kleine holtes tussen grind en keien. Ze groeien vrij langzaam, pas na een jaar bereiken ze een lengte van 7 cm. Kleine Barbelen zijn opvallend donkergevlekt, waardoor ze iets op Riviergrondels lijken. Ze blijven nog lang in de buurt van hun geboortegrond, voor ze wegtrekken naar de plaatsen waar de grotere barbelen gewoonlijk leven. Na 4-5 jaar worden ze geslachtsrijp. Tijdens de trek in de paaitijd werden Barbelen vroeger in grote aantallen met de zegen en met stelnetten gevangen, men at ze graag en sommige riviervissers hadden er een goede boterham aan.

Thans zijn Barbelen (en ook de vissers) uit de meeste Europese rivieren verdwenen, er bestaan alleen nog kleine, geïsoleerde restpopulaties, zo in de schaarse, nog stromende delen van de Donau, en bij ons in de Limburgse Maas. Het lot van de Barbeel maakt eens te meer zonneklaar duidelijk welke catastrofale uitwerking de regulering van stromende wateren voor de visfauna heeft. Hoofdoorzaak van de achteruitgang is de aanleg van stuwdammen, die de trekroutes afsnijden, de Barbeel is een bodemvis en neemt nauwelijks vistrappen aan. Ook de verslibbing van de paaigronden (als gevolg van de afgenomen stroomsnelheid) is funest. Weliswaar leven hier en daar nog wel een paar Barbelen in stuwmeren, maar dat zijn haast altijd grote, oude dieren, verjonging blijft uit. Waar ze nog voorkomen, kunnen ze met de liggende haak worden gevangen. Eenvoudig is dat niet, de dieren zijn schuw en wantrouwen het aangeboden aas.

barbeel gevangen in Oost-Europa, de verschillen kunnen per gebied en/of land nog sterk verschillen barbeel gevangen in Oost-Europa, de verschillen kunnen per gebied en/of land nog sterk verschillen
Barbeel in Nederland

De meeste vangsten van de barbeel tussen 1980 en 1995 komen uit de Maas, maar er zijn ook incidentele vangsten in de grote rivieren, het Ketelmeer en het IJsselmeer. In totaal zijn er 58 uurhokken met waarnemingen. In de Grensmaas, een aantal Limburgse beken, de Waal, de Gelderse IJssel, de Lek en zelfs in de Biesbosch zijn tussen 1993 en 1996 jonge barbelen gevonden, wat misschien wijst op voortplanting. Hopelijk zet deze ontwikkeling door. Uit monitoringsonderzoek van het RIVO blijkt overigens geen opvallende toeneming van de vangsten in de laatste tien jaar, eerder het tegendeel.

Op gedeeltes van de Waal en de Gelderse IJssel met een grindbodem blijkt het echter wel degelijk mogelijk om met de hengel gericht op barbeel te vissen. Op plekken in de Waal waar veel stroming is en beschutting van stenen kunnen eenzomerige barbeeltjes worden gevangen. In absolute aantallen is de stand nog niet te vergelijken met die van de winde of de roofblei, maar het stemt toch hoopvol. Gezien het formaat van deze visjes is het in ieder geval zeker dat de barbeel zich in de Waal succesvol voortplant. Ook in de Nederrijn bij Wageningen komen barbelen voor, maar doordat de stroming in de zomer wegvalt door de stuwen bij Driel en Maurik zal de barbeel daar waarschijnlijk nooit meer de oorspronkelijke stand benaderen.

Een schone zand- of grindbodem is voor de barbeel nodig om boven te paaien. Het rivierwater moet schoon zijn en afwisseling is noodzakelijk tussen diep en ondiep water. Verder moet er variatie zijn in de stroming en de oevers moeten schuilgelegenheid bieden. Een riviertraject van 10 tot 15 km moet aan deze voorwaarden voldoen. Het grootste knelpunt is de kanalisatie van de Maas. daarnaast mogelijk ook de vermesting, chemische en thermische vervuiling van het water. Lage waterstanden in de zomer in de Grensmaas vormen een blijvend probleem.



  
Terug naar home