|
|
De Baars
twee baarzen, de strepen over het lichaam zijn karakteristiek voor de soort
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Baars
|
|
Wetenschappelijk :
|
Perca fluviatilis
|
|
Engels :
|
Perch
|
|
Duits :
|
Flussbarsch
|
|
Frans :
|
Perche
|
Uiterlijke kenmerken
Lichaam iets gedrongen, zijdelings samengedrukt, bij oude dieren tamelijk hoog van rug. Lengte 20-35 cm, maximaal 50 cm. Kop groot, met vrij lange, stompe snuit, mondspleet tamelijk groot en eindstandig. Kieuwdeksels benedenwaarts in een spitse doorn uitlopend. Schubben klein, van het ctenoïde type, zijlijn volledig ontwikkeld. Rugvin tweedelig, het voorste deel langer en alleen door stekelstralen gesteund, buikvinnen, aarsvin en tweede rugvin weekstralig, op de eerste (stekelvormige) straal na. Rugzijde donker grijsbruin tot olijfkleurig, flanken lichter met 5-9 brede, donkere dwarsbanden, buik zilverwit, soms met roze gloed. Buikvinnen en aarsvin (soms ook de staartvin) rood aangelopen, bij sommige populaties (bijv. in het Bodenmeer) geel. Voorste rugvin met een zwarte vlek bij de achterrand. 58-68 schubben op de zijlijn.
|
een baars die 'rust' op de bodem
|
Leefwijze en omgeving
De reusachtige, bijna 8000 soorten tellende orde der Baarsachtigen {Perdformes] geldt als de hoogst ontwikkelde visgroep. Kenmerkend zijn de tweedelige rugvin (waarvan het voorste deel door stekelstralen wordt gesteund), en de ctenoïdschubben die door hun gekamde rand de vis een ruw aanvoelend oppervlak verlenen. De orde wordt in ongeveer 150 families onderverdeeld, de meeste zijn zeebewoners, slechts enkele (soms wel soortenrijke) families leven in zoet water. De 'Echte baarzen' [Percidae] behoren tot de laatste groep, ze hebben zich waarschijnlijk in NoordAzië uit mariene voorouders ontwikkeld, want daar leven nu nog de meeste soorten. Ze hebben zich echter over alle gematigde landstreken op het noordelijk halfrond verspreid.
De weinig gespecialiseerde, zich gemakkelijk aanpassende Baars is in Europa de algemeenste vertegenwoordiger van zijn familie. Hij bewoont zowel stilstaande als stromende wateren, dringt plaatselijk ook in brak water door (Oostzee) en stijgt in gebergten tot ca. 1000 m op. Kleine, sterk verslibde en ondiepe wateren worden gemeden, maar in grotere meren, plassen en traag stromende rivieren met harde (zandige of stenige) bodem is de Baars een van de algemeenste vissoorten. In de jeugd leven ze in scholen nabij de oevers of in ondiep water, grotere exemplaren trekken zich in dieper water terug en gaan solitair leven. Jonge Baarzen eten in hoofdzaak zoöplankton, maar zoeken ook de bodem af naar insectenlarven en kleine kreeftjes, later worden ze steeds roofzuchtiger en gaan ze op een dieet van voornamelijk kleine vissen over, waaronder ook hun eigen soort. Echt groot worden ze eigenlijk alleen in diepe, relatief voedselarme wateren. In ondiepe of overbemeste meren kunnen ze de zuurstofarme diepe waterlagen niet veroveren, hier blijven Baarzen ook op hoge leeftijd klein. Maar ze kunnen al bij een lengte van 10 cm geslachtsrijp worden.
Kommervormen worden zulke kleinblijvende exemplaren genoemd. Vanuit het oogpunt van de visser/hengelaar is hun aanwezigheid niet gewenst, maar voor de soort is dat een zinvolle aanpassing aan een beperkte leefruimte of een schaars voedselaanbod. In plaats van een paar grote vissen kunnen daar zo vele kleintjes leven, wat de populatie stabieler maakt. Het is geen toeval dat juist onze meest succesvolle vissoortem (waaronder de Blankvoorn) dit vermogen tot het ontwikkelen van kommervormen delen. In grote wateren met een rijke structuur kunnen diverse 'ecotypen' van de Baars naast elkaar bestaan, te onderscheiden zijn een kleinblijvende vorm uit de litorale zone (in Duitsland 'Krautbarsch' genoemd), naast een grote, donkergekleurde vorm uit diep water ('Tiefenbarsch') en soms een blekere vorm uit open water ('Jagdbarsch') die op de wijze van Snoekbaars jaagt, in Nederland onderscheidt men de kommervormen als 'zwarte baars'. Wel zijn alle tussenvormen denkbaar, en lang niet overal vindt men de typen in herkenbare vorm terug. Men heeft Baarzen ook in formatie zien jagen: dan brengt een gezelschap Baarzen een school jonge vissen zo diepgaand in verwarring, dat sommige daarvan de aansluiting missen en voor de zintuigen van de Baarzen als individu waarneembaar worden, en alleen zulke afgedwaalde visjes kunnen gericht achtervolgd en gevroten worden.
|
Eiersnoer van de baars
|
Baarzen paaien van maart tot juni bij watertemperaturen van 7-8 °C. Een enkel vrouwtje kan tot 200000 eitjes afzetten, ze verlaten het moederdier in lange, gelei-achtige snoeren die kriskras over waterplanten, stenen of andere objecten komen te hangen. De eitjes worden dadelijk na de afzetting bevrucht, en daarbij kunnen verscheidene mannetjes betrokken zijn. De jonge visjes komen na 2-3 weken uit het ei. Baarzen groeien niet zo snel, maar leven lang, bij een lengte van 30-40 cm zijn ze ongeveer 15 jaar oud. Ze worden al na 2-3 jaar geslachtsrijp.
|
Ecologische waarde
De baars leeft verspreid over bijna heel Europa en Noord-Azië, in meren, plassen, moerasland, rivieren en brak water. De vissen paaien van maart tot juni in zeer ondiep water, zij leggen soms wel 200.000 eieren in lange linten. De jonge roofvis zwemt vaak in scholen en zoekt zijn prooi, die hij opzuigt met zijn uitstulpbare bek, langs de oever of bij de bodem. Als de baars ouder wordt komt hij vaker solitair voor in dieper water.
De baars is ook een van de eerste vissen die nieuw aangelegde wateren koloniseert. In voedselarm wateren (vennen en zandafgravingen) is de baars samen met de blankvoorn de dominante vissoort. De baars is een zichtjager en heeft dus helder water nodig. Hij leeft in het algemeen in scholen van enkele tientallen dieren van ongeveer gelijke grootte. In deze scholen kan een enorme voedselnijd optreden waarbij een vermeende prooi door de hele school tegelijk wordt bejaagd.
De baars is ondanks zijn stekels een gewilde prooi van de snoek. Baarzen staan evenals snoeken bekend om hun kannibalisme. In de zomer komen vaak erg grote scholen met jonge baars voor die voor hun wat oudere soortgenoten een gewilde prooi vormen. Ook dan jaagt de baars vaak groepsgewijs op de opgejaagde visjes.
De baars is een erg smakelijke vis. In de vijftiger en zestiger jaren werd in het IJsselmeer erg veel baars door beroepsvissers en hengelsporters gevangen. Ook in het buitenland is de baars een gewilde consumptievis. Baars voor consumptie meenemen is buiten de grote rivieren en het IJsselmeer niet echt aan te raden omdat hij vrij langzaam groeit en er na het fileren maar weinig vis overblijft.
|
Visreglement
Voor de baars geldt in Nederland een vangverbod van 1 april tot de laatste zaterdag van mei.
In België mag je de baars het heel jaar door met maden of wormen vangen en meenemen, van juni tot december mag je deze vis ook met levende of dode visjes of kunstaas vangen. Denk er wel aan dat je geen levende vissen mag meenemen.
|
|
|
|
|