www.zoetwatervissen-nederland.nl

none
   Home  lijst van vissen  zoeken  contact
 doneer 1,30 euro
doneer 5 euro
 
   

De Atlantische steur


Atlantische steur Atlantische steur
Andere namen
 
Nederlands : Atlantische steur
Wetenschappelijk : Acipenser sturio
Engels : Sturgeon
Duits : Stör
Frans : Esturgeon

Uiterlijke kenmerken

Lengte meestal 1-2 m, oude exemplaren (maar die bestaan nauwelijks meer) kunnen 6 m lang en 1000 kg zwaar worden, de mannetjes blijven kleiner. De lichaamsvorm is haaiachtig, evenzo de asymmetrische (heterocerke) staart, waarbij de wervelkolom in de bovenste, veel grotere staartvinlob doorloopt. De rugvin is ver naar achteren geplaatst. Schubben ontbreken, wel zijn er 5 rijen beenplaatjes: een rij van 9-16 knobbelvormige rugschilden, een rij dicht opeenstaande, deels zelfs dakpansgewijs geplaatste schilden op beide flanken, en twee rijen met 8-14 schilden op de buik. Ook in de naakte huid tussen de rijen in zijn kleine beenplaatjes onregelmatig verdeeld, deze vallen vooral bij jonge dieren op. De kop is in een brede, aan de top iets opgebogen punt (rostrum) uitgetrokken. Aan de onderkant daarvan staan vier baarddraden in een overdwarse rij, deze zijn rolrond, zonder franje, en reiken platgelegd net niet tot de mondspleet. De brede, onderstandige mondspleet neemt 2/3 deel van de snuitbreedte in beslag en is slurfvormig uitstulpbaar, de onderlip is gedeeld. De rugzijde is grijs tot bruinachtig, de buikzijde lichtgekleurd.



Steur, het geslacht Acipenser herkent men aan de rechte, overdwars geplaatste mondspleet Steur, het geslacht Acipenser herkent men aan de rechte, overdwars geplaatste mondspleet
Leefwijze en omgeving

Steuren en hun verwanten zijn nazaten van een oude, archaďsche groep beenvissen, in hun huidige vorm bestaan ze al minstens 70 miljoen jaar. Ze vertonen een reeks van primitieve kenmerken, die bij 'moderne' vissen niet meer voorkomen, zoals de heterocerke staart die uiterlijk op die van haaien lijkt. Andere primitief lijkende kenmerken zijn in wezen juist nieuw verworven eigenschappen, zoals het kraakbenige skelet (hun voorouders hadden wel echt been) en de onbeschubde, met grote beenplaten bezette huid (resten van normale schubben ziet men nog op de bovenrand van de rugvin). Alle steurachtigen (familie Acipensehdae) leven op het noordelijk halfrond, in zee of in zoet water. Het onderscheid tussen de geslachten Acipenser (17 soorten) en Huso (2 soorten) berust op de grootte en vorm van de mondspleet.

De meeste steurachtigen zijn anadrome trekvissen, die in zoet water paaien. Na de eiafzetting keren de dieren terug naar zee, deze trektochten worden in het leven van een dier dikwijls herhaald. Als de jonge visjes uit het ei zijn gekomen, blijven ze meestal ook niet lang meer in de rivieren.

De systematiek van deze dieren is erg gecompliceerd. Er zijn veel ondersoorten en populaties die geografisch geďsoleerd zijn en vaak duidelijke verschillen vertonen, ook zijn er groepen die in verschillende seizoenen naar dezelfde rivier trekken, of die meer of minder ver stroomopwaarts reizen. Voorts zijn er bij sommige soorten ook populaties die permanent in zoet water leven, en weer andere die helemaal niet de rivier opzwemmen maar in brak water in het mondingsgebied paaien. Door deze veelzijdige opsplitsing, die in de loop van miljoenen jaren is ontstaan, maken de dieren optimaal gebruik van de beschikbare voedselvoorraden en paaiplaatsen. Regulering van rivieren, watervervuiling en overbevissing van de zeeën heeft daaraan echter in vijftig jaar tijds een einde gemaakt. Stuwen in de benedenloop van grotere rivieren hebben de meeste soorten van hun paaigronden afgesneden. Vistrappen kunnen door steurachtigen, gezien hun grootte, niet gebruikt worden. Alleen doordat soomige dieren zich met schepen in sluizen laten meeschutten vindt men sporadisch nog dieren stroomopwaarts, boven de stuwen, maar het zijn er te weinig om de voortplanting op peil te houden. Watervervuiling (zowel van de zee, als van zoete wateren) eist een verdere tol van deze zuurstofbehoeftige vissen. De belangrijkste factor is echter de decimering van de populaties door de grootschalige zeevisserij in de kustwateren. Daarbij worden ook de nog niet geslachtsrijpe, jonge dieren weggevangen, terwijl het toch vaak meer dan 20 jaar duurt voor de vrouwtjes geslachtsrijp worden. Door al deze factoren staan de soorten op het punt van uitsterven, alleen wordt een deel ervan kunstmatig in massa voortgekweekt. Aldus probeert men de vissen voor de visserij te behouden, niet alleen het vlees is economisch waardevol, maar vooral ook de kuit (kaviaar), waaraan veel deviezen kunnen worden verdiend. Jaarlijks wordt ca. 30000 ton steur gevangen (alle soorten tesamen), 90 procent daarvan komt uit de Kaspische Zee, de rest in hoofdzaak uit de Zwarte Zee. De ongeremde vervuiling van deze wateren door de aangrenzende naties, alsook de roofbouw die men sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie op de bestanden pleegt, zullen waarschijnlijk ook in die gebieden weldra tot de uitroeiing van de steurachtigen leiden.

Sinds enige jaren probeert men zoete wateren (bijv. stuwmeren) dienstbaar te maken aan de steurproductie. Daartoe worden vooral bastaarden (bijv. van Huso en Sterlet) uitgebroed, die sneller groeien dan de beider oudersoorten. Onduidelijk is nog, welke effecten het massale uitzetten van bastaardvormen op de wilde populaties heeft.

Acipenser stuho, de 'gewone' Steur, trekt in het voorjaar vanuit zee de rivieren op. Op veel plaatsen worden ook in de herfst trekkende vissen waargenomen, die dan voor de paaitijd in zoet water een winterrust houden. Vroeger trokken Steuren soms wel 1000 km de rivier op, in de Rijn zijn ze zelfs bij Base! waargenomen. Van maart tot augustus (maar meestal in juni en juli) paaien de dieren in diepe kuilen in de grindbedding van rivieren, een enkel vrouwtje kan tot 2,5 miljoen kleverige, zwarte eieren afzetten. De volwassen dieren keren na de paartijd terug naar zee, in elk geval een deel van de jongen blijft 2-4 jaar in zoet water, maar dat verschilt per rivier. Als ze de zee bereikt hebben, blijven de jonge dieren vaak nog lang in brak water nabij de monding, pas als ze 4 of 5 jaar oud zijn, verdragen ze de zoutconcentratie van de open zee. Ook de oude dieren vindt men meestal in ondiep water nabij de kust, waar ze met gelijkmatige bewegingen vlak boven de bodem zwemmen. Voedsel wordt met de baarddraden opgespoord en door de uitstulpbare mondspleet 'opgezogen', de dieren bezitten geen tanden. Kleine exemplaren eten in de bodem levende ongewervelden (slakken, schelpdieren, wormen e.d.), zowel in zee als in zoet water. Grotere dieren leven in toenemende mate van bodemvissen. Steuren kunnen heel oud worden, waarschijnlijk ongeveer 50 jaar, de mannetjes worden pas na 7-15 jaar geslachtsrijp, de vrouwtjes na 8-20 jaar (streekafhankelijk).

Het is wel eigenaardig dat deze soort, die van alle Europese steurachtigen veruit het grootste verspreidingsgebied heeft, toch het sterkst met uitsterving bedreigd wordt, en dat terwijl hij nog tot het eind van de 19de eeuw in bijna alle Europese rivierstelsels (uitgezonderd de Donau) echt algemeen was. De instorting van de populatie deed zich al rond 1900 voor, als gevolg van schaamteloze overbevissing, tussen 1890 en 1910 daalde de jaarproductie van de steurvisserij op de Elbe van ruim 4000 stuks tot minder dan 100. Thans speelt deze soort nergens meer een economische rol. Omdat ook de laatste noemenswaardige bestanden (bijv. in de Gironde) drastisch achteruitgaan, moet worden gevreesd dat de soort weldra zal uitsterven.

spitssnuitsteur spitssnuitsteur
De steur in Nederland

In Nederland is de laatste steur in 1952 in de nieuwe Merwede gevangen. Sindsdien is de soort in Nederland uitgestorven. Er zijn plannen om de steur weer uit te zetten, dit kan succesvol zijn omdat de grootschalige riviervisserij verdwenen is, omdat het rivierbiotoop beter wordt en omdat onder andere het Haringvliet mogelijk een open verbinding naar zee krijgt.

Een probleem is om geschikte jonge vis of eieren te vinden. Hiertoe worden technieken ingezet om de steur in gevangenschap op te kweken. Een doel is om zo duizenden jonge vissen uit te zetten in daartoe geschikte rivieren.

Af en toe worden er meldingen gemaakt van gevangen steuren maar het is niet duidelijk of dit daadwerkelijk Atlantische steuren zijn of vaker voorkomende soorten zoals de sterlet.


  
Terug naar home