|
|
De Amerikaanse dikkop-elrits
Amerikaanse dikkop-elrits
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Amerikaanse dikkop-elrits
|
|
Wetenschappelijk :
|
Pimephales promelas
|
|
Engels :
|
Fathead Minnow
|
|
Duits :
|
Fettköpfige Elritze
|
|
Frans :
|
onbekend
|
Uiterlijke kenmerken
De dikkip-elrits in zijn wilde vorm is over het algemeen saai olijf-grijs in verschijning, met een duistere streep die zich uitbreidt langs de rug en de kant men een lichtere buik. Er is een duistere vlek centraal op de rugvin. De mannetjes die paairijp zijn verwerven de grote, grijze vlezige groei op de nek, evenals ongeveer 16 witte paaiknobbeltjes op de snuit.
|
Leefwijze en leefomgeving
De dikkop-elrits is vrij verdraagzaam van troebel, laag zuurstofhoudend water,
en kan in modderige vijvers en stromen worden gevonden die ongastvrij zijn voor
andere soorten vissen. Het kan ook in kleine rivieren worden gevonden.
Zoals de naam al aangeeft, komt dit visje uit Noord-Amerika. De dikkopelrits kent een maximumlengte van 10 cm en wordt een paar jaar oud. In Amerika wordt dit visje gebruikt om te testen op de giftigheid van water.
In Europa is de dikkopelrits een exoot.
|
Ecologische betekenis
Met de dikkopelrits is een Amerikaanse visziekte, genaamd enteric redmouth disease, overgekomen naar de Europese vissen. Met name zeelt en paling hebben hiervan sterk te lijden.
|
|
|
|
|