|
|
De Alver
alver, aquariumfoto
|
|
Andere namen
|
|
Nederlands :
|
Alver
|
|
Wetenschappelijk :
|
Alburnus alburnus
|
|
Engels :
|
Bleak
|
|
Duits :
|
Laube, Ukelei
|
|
Frans :
|
Ablette
|
Uiterlijke kenmerken
Een kleine, zilverkleurige, enigszins op een haring gelijkende vis met sterk bovenstandige bek en lange aarsvin.
Lichaam slank en zijdelings samengedrukt, staartsteel tamelijk hoog (half zo hoog als de romp). Lengte meestal 12-15 cm, maximaal 25 cm. Mondspleet steil opgericht (bek bovenstandig), onderkaak niet verdikt. Schubben middelgroot. Aarsvin lang, reeds voor de achterrand van de rugvin beginnend. Rugzijde grijsgroen, flanken en buik met sterke zilverglans. Vinnen kleurloos of iets grijs, de borst- en buikvinnen vaak met gelige basis.
46-54 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 11-12, aarsvin 18-23, borstvin 16, buikvin 10, staartvin 19. Keeltanden 2.5-5.2, haakvormig, gekerfd.
|
jonge alver, de zijlijn is al duidelijk zichtbaar
|
Leefwijze en leefomgeving
De Alver is een typische oppervlaktevis, die soms in enorme scholen in meren en traag stromende wateren voorkomt, in de Oostzee dringt hij ook in brak water door. Hij voelt zich niet alleen bij de oever thuis, maar ook in open water. Wat zijn voedsel betreft is hij niet kieskeurig, hij eet zowel zoöplankton als fytoplankton, alsmede aanvliegende insecten. Hij mijdt al te dichte begroeiing en ook troebel water, toch is hij niet extreem gevoelig voor vervuiling en lage zuurstofgehaltes. Alvers paaien tussen april en juni in ondiep water nabij de oever. Als afzetsubstraat gebruiken ze van alles en nog wat: stenen, gras in ondergelopen hooilanden, rottende plantendelen of desnoods betonnen beschoeiingen. De mannetjes krijgen paringsuitslag. Alvers vormen een belangrijk basisvoedsel voor allerlei roofvissen. Vooral in meren is de Alver vaak de algemeenste vissoort, en men kan hem plaatselijk nog in grote aantallen vinden. In Noord-Duitsland (en Nederland) gaat hij echter al jaren sterk achteruit, de oorzaken zijn niet helemaal duidelijk. Een direct belang voor de economie vertegenwoordigt hij niet, en voor de hengelsport is hij alleen als aasvisje interessant.
|
witte alver, deze soort komt alleen rondom Italie voor
|
Verwante soorten
De Witte alver (Alburnus albidus) leeft ten zuiden van de Alpen in Noord-ltalië, in het kustgebied van Dalmatië en Albanië, en ook weer in Zuid-ltalië. Hij lijkt in alle opzichten veel op de Alver. Men herkent hem het best aan het geringere aantal aarsvinstralen (14-19, afhankelijk van de ondersoort), de Noord-Italiaanse vorm ('alborella') heeft bovendien een grijze flankstreep.
De Kaukasische alver {Alburnus charusini) vervangt de Alver in stilstaande wateren in de Kaukasus en de delta van de Oeral-rivier. Hij lijkt ook weer sterk op de Alver, maar heeft een opvallend lange staartsteel, de romp kan bij sommige locale vormen juist tamelijk gedrongen zijn.
|
Ecologische waarde
De alver is een scholenvis die bejaagd wordt door snoek, roofblei,de snoekbaars en baars. In het voorjaar komen deze vissen naar de oppervlakte om te paaien in ondiep water, vaak met een harde ondergrond. Ze worden ongeveer 5 á 6 jaar oud en ze zijn op hun derde jaar geslachtrijp. In onderwater planten wordt de kleverige kuit gelegd. De alver is vaak te vinden in grote scholen voor de uitgang van gemalen, maar is ook wel eens in stilstaand water te vinden.
Vroeger kwam de alver zeer algemeen voor, tegenwoordig steeds minder door de vervuiling van zijn milieu.
De opkomst van de roofblei zal ook ongunstig uitpakken voor de stand van de alver, vanwege competitie met juveniele roofblei en door predatie van volwassen roofblei.
|
|
|
|
|